zaterdag 12 november 2016

La Chatelaine (3)



Hij wilde de droom vergeten, maar die hield hem zo stevig in zijn greep dat hij zich er niet van kon losschudden. Wat waren dat voor rare gewaarwordingen, wat waren dat voor rare beelden? Waren dit dromen of nachtmerries? Was hij bezopen of had hij last van een enorme kater? Wat had hij nu eigenlijk gezien? Was dat waar? Gevechtswagens zonder paarden? Een veldslag die in loopgraven uitgevochten werd? Een oorlog zonder cavalerie en met vliegende wagens in de lucht en gevechtswagens op de grond? Hij schudde zijn hoofd alsof het zo wel zou lukken om al die bange en vreemde beelden kwijt te raken, maar dat lukte niet. Zoals het met dromen gaat vergleden de beelden wel, maar er bleven er kleven, zoals altijd op de grens van het bewustzijn. Hij werd langzaam bewust van zijn omgeving. Hij lag in een groot bed, geen hemelbed, maar groot genoeg om van een echtpaar te zijn. Hij lag onder helder witte lakens en een paarsachtig dons bed. De muren van de kamer waren licht groen geverfd en de zoldering was crème kleurig. De kamer had twee brede ramen met vermoedelijk uitzicht op een tuin.
Hij sloeg de bedekking van zich af en wilde overeind gaan zitten in het brede bed, maar kreunde toen zijn rechter arm het gewicht van zijn lichaam moest torsen. Door het raam van de slaapkamer kwam gezeefd licht door de gordijnen en hij hoorde van verre de geluiden van de werkzaamheden op en rond het huis. Hij had het idee dat het geen geoon huis was, maar eerder een buitenhuis of een landhuis, of zo. Hij hoorde vogels zingen in de naburige bomen, die hij in de verte kon zien en in de verte loeide een koe en een hond blafte laag en donker. Hij keek, ondanks de pijnscheuten in zijn arm, op zijn gemak de kamer rond en zag zijn uniformjas die aangaf dat hij Rittmeister van het Pommers Huzarenregiment van Von Blücher was, over een stoel hangen.
De jas was prachtig korenbloemenblauw, afgezet met gele galons en ook gele, goudkleurige knopen en met mooie en contrasterende zwarte manchetten en kraag, die goudkleurig waren afgebiesd. Zijn broek was lichtgrijs, rood en geel gebiesd met ingezet zwart zit stuk. Hij zag dat de plek waar de sabelhouw hem bijna zijn arm had gekost, keurig was versteld door de kamenierster van Lou Anne, zelfs het bloed was er uitgewassen en hij zou het zo dadelijk weer aan kunnen trekken als hij zijn dagelijkse wandeling in het kasteelpark zou gaan maken. Elke dag een stukje verder wandelen hadden de artsen hem aangeraden, elke dag een paar meter meer en hij zou na verloop van enkele maanden weer helemaal de oude worden. Ja, door de hinderlaag die die verrekte Fransen hadden ingericht was hij, na de sabelhouw in zijn arm, ook nog eens van zijn trouwe paard gegooid en had zijn enkel verrekt.
Nu ja, helemaal de oude worden? Hij hoopte het. Na het verraad van Exelmans, die Franse generaal met het verdomde uitgestreken paardengebit, het verraad dat die duivel pleegde bij Rocquencourt en dat na Ligny en Waterloo, waar hij zoveel vrienden en soldaten had verloren, zou dat herstellen wel een hele tijd duren, wist hij. Hij besloot toch maar om op te staan. Hij kreupelde naar de wastafel en schonk vers water uit de lampetkan in de was schaal. Hij waste net zijn gezicht toen er een bescheiden klopje op de deur klonk. Hij herkende dat klopje precies, dat kon alleen maar Louise-Anne de Broussier zijn, kasteelvrouwe van het Chateau de Flers. Zij had, na de uiteindelijke val en de smadelijke vlucht van die gehate Bonaparte, haar chateau opengesteld voor gewonde militairen en zo was hij, na Rocquencourt, hier terecht gekomen. Hij was afgeleverd door de trouwe huzaren van Blucher
Hij wilde de droom vergeten, maar die hield hem zo stevig in zijn greep dat hij zich er niet van kon losschudden. Wat waren dat voor rare gewaarwordingen, wat waren dat voor rare beelden? Waren dit dromen of nactmerries? Was hij bezopen of had hij last van een enorme kater? Wat had hij nu eigenlijk gezien? Was dat waar? Gevechtswagens zonder paarden? Een veldslag die in loopgraven uitgevochten werd? Een oorlog zonder cavalerie en met vliegende wagens in de lucht en gevechtswagens op de grond? Hij schudde zijn hoofd alsof het zo wel zou lukken om al die bange en vreemde beelden kwijt te raken, maar dat lukte niet. Zoals het met dromen gaat vergleden de beelden wel, maar er bleven er kleven, zoals altijd op de grens van het bewustzijn. Hij werd langzaam bewust van zijn omgeving. Hij lag in een groot bed, geen hemelbed, maar groot genoeg om van een echtpaar te zijn. Hij lag onder helder witte lakens en een paarsachtig donsbed. De muren van de kamer waren licht groen geverfd en de zoldering was creme kleurig. De kamer had twee brede ramen met vermoedelijk uitzicht op een tuin.
Hij sloeg de bedekking van zich af en wilde overeind gaan zitten in het brede bed, maar kreunde toen zijn rechter arm het gewicht van zijn lichaam moest torsen. Door het raam van de slaapkamer kwam gezeefd licht door de gordijnen en hij hoorde van verre de geluiden van de werkzaamheden op en rond het huis. Hij had het idee dat het geen geoon huis was, maar eerder een buitenhuis of een landhuis, of zo. Hij hoorde vogels zingen in de naburige bomen, die hij in de verte kon zien en in de verte loeide een koe en een hond blafte laag en donker. Hij keek, ondanks de pijnscheuten in zijn arm, op zijn gemak de kamer rond en zag zijn uniformjas die aangaf dat hij Rittmeister van het Pommers Huzarenregiment van Von Blücher was, over een stoel hangen.
De jas was prachtig korenbloemenblauw, afgezet met gele galons en ook gele, goudkleurige knopen en met mooie en contrasterende zwarte manchetten en kraag, die goudkleurig waren afgebiesd. Zijn broek was lichtgrijs, rood en geel gebiesd met ingezet zwart zit stuk. Hij zag dat de plek waar de sabelhouw hem bijna zijn arm had gekost, keurig was versteld door de kamenierster van Lou Anne, zelfs het bloed was er uitgewassen en hij zou het zo dadelijk weer aan kunnen trekken als hij zijn dagelijkse wandeling in het kasteelpark zou gaan maken. Elke dag een stukje verder wandelen hadden de artsen hem aangeraden, elke dag een paar meter meer en hij zou na verloop van enkele maanden weer helemaal de oude worden. Ja, door de hinderlaag die die verrekte Fransen hadden ingericht was hij, na de sabelhouw in zijn arm, ook nog eens van zijn trouwe paard gegooid en had zijn enkel verrekt.
Nu ja, helemaal de oude worden? Hij hoopte het. Na het verraad van Exelmans, die Franse generaal met het verdomde uitgestreken paardengebit, het verraad dat die duivel pleegde bij Rocquencourt en dat na Ligny en Waterloo, waar hij zoveel vrienden en soldaten had verloren, zou dat herstellen wel een hele tijd duren, wist hij. Hij besloot toch maar om op te staan. Hij kreupelde naar de wastafel en schonk vers water uit de lampetkan in de was schaal. Hij wastte net zijn gezicht toen er een bescheiden klopje op de deur klonk. Hij herkende dat klopje precies, dat kon alleen maar Louise-Anne de Broussier zijn, kasteelvrouwe van het Chateau de Flers. Zij had, na de uiteindelijke val en de smadelijke vlucht van die gehate Bonaparte, haar chateau opengesteld voor gewonde militairen en zo was hij, na Rocquencourt, hier terecht gekomen. Hij was afgeleverd door de trouwe huzaren van Blucher
Hij wilde de droom vergeten, maar die hield hem zo stevig in zijn greep dat hij zich er niet van kon losschudden. Wat waren dat voor rare gewaarwordingen, wat waren dat voor rare beelden? Waren dit dromen of nactmerries? Was hij bezopen of had hij last van een enorme kater? Wat had hij nu eigenlijk gezien? Was dat waar? Gevechtswagens zonder paarden? Een veldslag die in loopgraven uitgevochten werd? Een oorlog zonder cavalerie en met vliegende wagens in de lucht en gevechtswagens op de grond? Hij schudde zijn hoofd alsof het zo wel zou lukken om al die bange en vreemde beelden kwijt te raken, maar dat lukte niet. Zoals het met dromen gaat vergleden de beelden wel, maar er bleven er kleven, zoals altijd op de grens van het bewustzijn. Hij werd langzaam bewust van zijn omgeving. Hij lag in een groot bed, geen hemelbed, maar groot genoeg om van een echtpaar te zijn. Hij lag onder helder witte lakens en een paarsachtig donsbed. De muren van de kamer waren licht groen geverfd en de zoldering was creme kleurig. De kamer had twee brede ramen met vermoedelijk uitzicht op een tuin.
Hij sloeg de bedekking van zich af en wilde overeind gaan zitten in het brede bed, maar kreunde toen zijn rechter arm het gewicht van zijn lichaam moest torsen. Door het raam van de slaapkamer kwam gezeefd licht door de gordijnen en hij hoorde van verre de geluiden van de werkzaamheden op en rond het huis. Hij had het idee dat het geen geoon huis was, maar eerder een buitenhuis of een landhuis, of zo. Hij hoorde vogels zingen in de naburige bomen, die hij in de verte kon zien en in de verte loeide een koe en een hond blafte laag en donker. Hij keek, ondanks de pijnscheuten in zijn arm, op zijn gemak de kamer rond en zag zijn uniformjas die aangaf dat hij Rittmeister van het Pommers Huzarenregiment van Von Blücher was, over een stoel hangen.
De jas was prachtig korenbloemenblauw, afgezet met gele galons en ook gele, goudkleurige knopen en met mooie en contrasterende zwarte manchetten en kraag, die goudkleurig waren afgebiesd. Zijn broek was lichtgrijs, rood en geel gebiesd met ingezet zwart zit stuk. Hij zag dat de plek waar de sabelhouw hem bijna zijn arm had gekost, keurig was versteld door de kamenierster van Lou Anne, zelfs het bloed was er uitgewassen en hij zou het zo dadelijk weer aan kunnen trekken als hij zijn dagelijkse wandeling in het kasteelpark zou gaan maken. Elke dag een stukje verder wandelen hadden de artsen hem aangeraden, elke dag een paar meter meer en hij zou na verloop van enkele maanden weer helemaal de oude worden. Ja, door de hinderlaag die die verrekte Fransen hadden ingericht was hij, na de sabelhouw in zijn arm, ook nog eens van zijn trouwe paard gegooid en had zijn enkel verrekt.
Nu ja, helemaal de oude worden? Hij hoopte het. Na het verraad van Exelmans, die Franse generaal met het verdomde uitgestreken paardengebit, het verraad dat die duivel pleegde bij Rocquencourt en dat na Ligny en Waterloo, waar hij zoveel vrienden en soldaten had verloren, zou dat herstellen wel een hele tijd duren, wist hij. Hij besloot toch maar om op te staan. Hij kreupelde naar de wastafel en schonk vers water uit de lampetkan in de was schaal. Hij wastte net zijn gezicht toen er een bescheiden klopje op de deur klonk. Hij herkende dat klopje precies, dat kon alleen maar Louise-Anne de Broussier zijn, kasteelvrouwe van het Chateau de Flers. Zij had, na de uiteindelijke val en de smadelijke vlucht van die gehate Bonaparte, haar chateau opengesteld voor gewonde militairen en zo was hij, na Rocquencourt, hier terecht gekomen. Hij was afgeleverd door de trouwe huzaren van . Meer
Hij wilde de droom vergeten, maar die hield hem zo stevig in zijn greep dat hij zich er niet van kon losschudden. Wat waren dat voor rare gewaarwordingen, wat waren dat voor rare beelden? Waren dit dromen of nactmerries? Was hij bezopen of had hij last van een enorme kater? Wat had hij nu eigenlijk gezien? Was dat waar? Gevechtswagens zonder paarden? Een veldslag die in loopgraven uitgevochten werd? Een oorlog zonder cavalerie en met vliegende wagens in de lucht en gevechtswagens op de grond? Hij schudde zijn hoofd alsof het zo wel zou lukken om al die bange en vreemde beelden kwijt te raken, maar dat lukte niet. Zoals het met dromen gaat vergleden de beelden wel, maar er bleven er kleven, zoals altijd op de grens van het bewustzijn. Hij werd langzaam bewust van zijn omgeving. Hij lag in een groot bed, geen hemelbed, maar groot genoeg om van een echtpaar te zijn. Hij lag onder helder witte lakens en een paarsachtig donsbed. De muren van de kamer waren licht groen geverfd en de zoldering was creme kleurig. De kamer had twee brede ramen met vermoedelijk uitzicht op een tuin.
Hij sloeg de bedekking van zich af en wilde overeind gaan zitten in het brede bed, maar kreunde toen zijn rechter arm het gewicht van zijn lichaam moest torsen. Door het raam van de slaapkamer kwam gezeefd licht door de gordijnen en hij hoorde van verre de geluiden van de werkzaamheden op en rond het huis. Hij had het idee dat het geen geoon huis was, maar eerder een buitenhuis of een landhuis, of zo. Hij hoorde vogels zingen in de naburige bomen, die hij in de verte kon zien en in de verte loeide een koe en een hond blafte laag en donker. Hij keek, ondanks de pijnscheuten in zijn arm, op zijn gemak de kamer rond en zag zijn uniformjas die aangaf dat hij Rittmeister van het Pommers Huzarenregiment van Von Blücher was, over een stoel hangen.
De jas was prachtig korenbloemenblauw, afgezet met gele galons en ook gele, goudkleurige knopen en met mooie en contrasterende zwarte manchetten en kraag, die goudkleurig waren afgebiesd. Zijn broek was lichtgrijs, rood en geel gebiesd met ingezet zwart zit stuk. Hij zag dat de plek waar de sabelhouw hem bijna zijn arm had gekost, keurig was versteld door de kamenierster van Lou Anne, zelfs het bloed was er uitgewassen en hij zou het zo dadelijk weer aan kunnen trekken als hij zijn dagelijkse wandeling in het kasteelpark zou gaan maken. Elke dag een stukje verder wandelen hadden de artsen hem aangeraden, elke dag een paar meter meer en hij zou na verloop van enkele maanden weer helemaal de oude worden. Ja, door de hinderlaag die die verrekte Fransen hadden ingericht was hij, na de sabelhouw in zijn arm, ook nog eens van zijn trouwe paard gegooid en had zijn enkel verrekt.
Nu ja, helemaal de oude worden? Hij hoopte het. Na het verraad van Exelmans, die Franse generaal met het verdomde uitgestreken paardengebit, het verraad dat die duivel pleegde bij Rocquencourt en dat na Ligny en Waterloo, waar hij zoveel vrienden en soldaten had verloren, zou dat herstellen wel een hele tijd duren, wist hij. Hij besloot toch maar om op te staan. Hij kreupelde naar de wastafel en schonk vers water uit de lampetkan in de was schaal. Hij wastte net zijn gezicht toen er een bescheiden klopje op de deur klonk. Hij herkende dat klopje precies, dat kon alleen maar Louise-Anne de Broussier zijn, kasteelvrouwe van het Chateau de Flers. Zij had, na de uiteindelijke val en de smadelijke vlucht van die gehate Bonaparte, haar chateau opengesteld voor gewonde militairen en zo was hij, na Rocquencourt, hier terecht gekomen. Hij was afgeleverd door de trouwe huzaren van  Blücher. Meer dood dan levend natuurlijk, niet dat die sabelhouw nu meteen levensbedreigend was geweest, maar er was wel een groot bloedvat in zijn arm geraakt en hij had vreselijk veel bloed verloren. Vaag herinnerde hij hoe vreselijk koud hij het had gehad en hoe troebel zijn blik was geweest en op een gegeven moment meende hij ook dat hij doof was geworden, zo slecht hoorde hij nog de geluiden om hem heen. Toch was het niet zijn sterven geluid geweest, maar waren het de geluiden van mensen en dieren in doodsnood geweest die langs de weg naar het kasteel als beesten stierven, geweest.
De Franse chirurgijn die hem, in een geïmproviseerde verbandplaats, uiteindelijk had  geholpen had hij horen zeggen dat het waarschijnlijk niet lang meer zou duren voordat Pruisen er weer een dode held had bij gehad. Dat was het moment waarvan hij zich, heel vaag, nog herinnerde dat Blücher zelf de operatie tent was binnengestapt. ‘Maarschalk Voorwaarts’, zoals één van zijn bijnamen luidde, had in duidelijk Duits de chirurgijn verstaan gegeven dat hij op moest houden met die ‘Verdammte Blödsinn’ en als de donder moest zorgen dat zijn ‘Helden Rittmeister’ opgelapt werd want anders zou het Franse chirurgijns gilde er wel eens een dode chirurgijn bij kunnen schrijven. De besnorde maarschalk had er persoonlijk voor gezorgd dat hij naar het kasteel van Flers werd gebracht om aan te sterken. Dat was alweer een goede acht weken terug geweest, ergens begin juli. Eens kijken, ja, tien weken zelfs, want hij besefte dat het nu al half september was. De oogst was ondertussen in volle gang en het graan zag er goed uit, ondanks de natte zomer.
Ondertussen was Louise-Anne binnengekomen en keek hem een beetje kritisch aan van onder haar donkere wimpers. Om te zeggen dat ze een mooie vrouw was, was als zeggen dat de zon scheen. Ze was een schoonheid in de klassieke zin van het woord. Een echte Française, vond hij. Ze was niet al te lang, ongeveer een meter vijfenzestig, slank en met een kleine buste en slanke heupen en een mooie taille. Haar gezicht was ovaal en werd omrankt door een bos donker krullend haar. Haar gelaat was regelmatig gevormd en haar neus was misschien een ietsje te spits. Haar ogen waren zeegroen en af toe dacht hij dat hij in die blik kon verdrinken. Haar mond was kersenrood en haar tanden regelmatig en porseleinwit want ze schuurde ze geregeld zoals hij wist. Op haar voorbeeld deed hij dat nu ook enkele malen per dag en hij vond het heel prettig om te doen. Ze was gekleed in de mode van die tijd, een jurk die hoog onder haar vrij kleine boezem aansloot. Hij wist dat ze geen hemd of hesje onder haar jurk droeg, hij had haar vaak genoeg ontkleed om dat te weten. Ze droeg geen hoofdbedekking en haar voeten waren gestoken in een paar elegante laarsjes. Hij had haar voor het eerst bewust opgemerkt toen hij na een week of twee ’s nachts wakker was geworden en voor het eerst in tijden bewust was dat hij nog leefde. Hij had dorst gehad en ook een vreselijke honger en had, tot zijn grote verbazing, opeens een lieftallige jonge vrouw aan zijn bed gezien. Ze had half gedommeld en werd wakker van zijn gewoel in bed. In rad Frans had ze hem aangesproken en hij had wat nerveus lachend, zijn beste schooljongens Frans aangewend om met haar te kunnen  praten. Twee dagen later was ze zijn minnares geworden. Hij was niet bepaald een schooljongen in de liefde geweest maar de vrije wijze waarop zij zijn bed deelde en waarop zij hun beider genot wist te bewerkstelligen was iets dat hij nog nooit had meegemaakt en, zoals dat gaat, was hij na een week haar slaaf geworden en tot over zijn oren verliefd. Verliefd? Of verslaafd aan haar lijf met die kleine borsten die perfect in zijn handen pasten, de lichtroze tepels die al rechtop stonden als hij er naar keek, zodat hij al een erectie kreeg als hij naar haar keek.  Haar huid zo zacht als een perzik en blank als room en de donkere delta onder aan haar buik die zo zacht en vochtig was en zo apart smaakte. Hij voelde zich als een God in Frankrijk, had hij haar meerdere malen lachend gezegd, als ze weer eens uitgeput na een hevige vrijpartij naast elkaar lagen, hun lijven nog verstrengeld en zich voorbereidend op de volgende keer.
Ze was halverwege de dertig en al enkele jaren weduwe omdat haar man gestorven was in één van de vele oorlogen die “l’ animal”, zoals ze haar afgezette keizer altijd noemde, had gevoerd. Haar huwelijk was, tot haar grote spijt, altijd kinderloos gebleven. “Waarom is het toch, mon chérie, dat jullie mannen toujours oorlog willen voeren? Wat willen jullie daar nu mee bewijzen? Hoe veel leed en lijden is er nodig voor vrouwen en kinderen voor dat jullie door zullen hebben dat oorlogen en veldslagen niets oplossen? Kijk nu naar mijn land. Uitgeput en verarmd met  duizenden mannen die nooit meer thuis komen, duizenden vrouwen die maar moeten zien dat ze in leven blijven, tienduizenden kinderen die zonder vader opgroeien en vaak sterven van de honger. Het land ligt er helemaal onbewerkt bij  de steden vervuilen, vrouwen spelen de hoer en sterven in ellende. Hele gezinnen verpauperen en zwerven langs de wegen en sterven in de diepste ellende in korenvelden en platgebrande hoeves en verlaten huizen!”  Ze was in deze gesprekken net zo fel als in het bedrijven van de liefde. Vandaag was ze in een mildere bui. Ze kwam de kamer in en overhandigde hem een envelop, die op een dienblad lag waarop een koffiegarnituur stond. “Voila, van jouw Marechal”, zei ze en zoende hem op zijn mond. Hij nam de envelop waan en keek haastig naar het adres. “Ja, inderdaad, van de Vorst zelf!” zei hij. Hij pakte haar, onddanks de pijn in zijn arm, onder haar oksels en tilde haar naar het bed. Hij begon haar hevig op haar mond te zoenen en, terwijl zijn tong haar tanden vond en zijn handen dwaalden naar haar keursje voelde hij dat haar tepels zich oprichtten.
Ze duwde hem met gespeelde boosheid met beide handen weg. “Nee, malloot, gekke officier van de paarden! Nee, ruwe Allemand, niet nu, je bent net nog geweest, hein? Ik heb er nog pijn van, daar beneden! Ga weg, kerel, ik moet naar de keuken. Jullie kerels denken maar aan een ding en dat is niet het huishouden, toe ga nu weg, oh, chérie, hou nu eens op, ik heb het echt druk.”
Lachend ontworstelde ze zich aan zijn greep, vluchtte weg van het bed en begon met beide handen haar kleding en haar in orde te brengen. Iets later was ze, na een vluchtig zoentje, verdwenen en hij schonk een kom koffie in uit de kan die Lou Anne gebracht had en ging verder met toilet maken. Daar mee gereed zijnde dacht hij opeens weer aan de brief van Blücher.
dood dan levend natuurlijk, niet dat die sabelhouw nu meteen levensbedreigend was geweest, maar er was wel een groot bloedvat in zijn arm geraakt en hij had vreselijk veel bloed verloren. Vaag herinnerde hij hoe vreselijk koud hij het had gehad en hoe troebel zijn blik was geweest en dat hij op een gegeven moment ook meende dat hij doof was geworden, zo slecht hoorde hij nog de geluiden om hem heen. Toch was het niet zijn sterven geluid geweest, maar waren het de geluiden van mensen en dieren in doodsnood geweest die langs de weg naar het kasteel als beesten stierven, geweest.
De Franse chirurgijn die hem, in een geimpoviseeerde verbandplaats, uiteindelijk had geholpen had hij horen zeggen dat het waarschijnlijk niet lang meer zou duren voordat Pruisen er weer een dode held had bijgehad. Dat was het moment waarvan hij zich, heel vaag, nog herinnerde dat Blücher zelf de operatie tent was binnengestapt. ‘Maarschalk Voorwaarts’, zoals één van zijn bijnamen luidde, had in duidelijk Duits de chirurgijn verstaan gegeven dat hij op moest houden met die ‘Verdammte Blödsinn’ en als de donder moest zorgen dat zijn ‘Helden Rittmeister’ opgelapt werd want anders zou het Franse chirurgijnengilde er wel eens een dode chirurgijn bij kunnen schrijven. De besnorde maarschalk had er persoonlijk voor gezorgd dat hij naar het kasteel van Flers werd gebracht om aan te sterken. Dat was alweer een goede acht weken terug geweest, ergens begin juli. Eens kijken, ja, tien weken zelfs, want hij besefte dat het nu al half september was. De oogst was ondertussen in volle gang en het graan zag er goed uit, ondanks de natte zomer.
Ondertussen was Louise-Anne binnengekomen en keek hem een beetje kritisch aan van onder haar donkere wimpers. Om te zeggen dat ze een mooie vrouw was, was als zeggen dat de zon scheen. Ze was een schoonheid in de klassieke zin van het woord. Een echte Française, vond hij. Ze was niet al te lang, ongeveer een meter vijfenzestig, slank en met een kleine buste en slanke heupen en een mooie taille. Haar gezicht was ovaal en werd omrankt door een bos donker krullend haar. Haar gelaat was regelmatig gevormd en haar neus was misschien een ietsje te spits. Haar ogen waren zeegroen en af toe dacht hij dat hij in die blik kon verdrinken. Haar mond was kersenrood en haar tanden regelmatig en porseleinwit want ze schuurde ze geregeld zoals hij wist. Op haar voorbeeld deed hij dat nu ook enkele malen per dag en hij vond het heel prettig om te doen. Ze was gekleed in de mode van die tijd, een jurk die hoog onder haar vrij kleine boezem aansloot. Hij wist dat ze geen hemd of hesje onder haar jurk droeg, hij had haar vaak genoeg ontkleed om dat te weten. Ze droeg geen hoofdbedekking en haar voeten waren gestoken in een paar elegante laarsjes. Hij had haar voor het eerst bewust opgemerkt toen hij na een week of twee ’s nachts wakker was geworden en voor het eerst in tijden bewust was dat hij nog leefde. Hij had dorst gehad en ook een vreselijke honger en had, tot zijn grote verbazing, opeens een lieftallige jonge vrouw aan zijn bed gezien. Ze had half gedommeld en werd wakker van zijn gewoel in bed. In rad Frans had ze hem aangesproken en hij had wat nerveus lachend, zijn beste schooljongens Frans aangewend om met haar te kunnen  praten. Twee dagen later was ze zijn minnares geworden. Hij was niet bepaald een schooljongen in de liefde geweest maar de vrije wijze waarop zij zijn bed deelde en waarop zij hun beider genot wist te bewerkstelligen was iets dat hij nog nooit had meegemaakt en, zoals dat gaat, was hij na een week haar slaaf geworden en tot over zijn oren verliefd. Verliefd? Of verslaafd aan haar lijf met die kleine borsten die perfect in zijn handen pasten, de lichtroze tepels die al rechtop stonden als hij er naar keek, zodat hij al een erectie kreeg als hij naar haar keek.  Haar huid zo zacht als een perzik en blank als room en de donkere delta onder aan haar buik die zo zacht en vochtig was en zo apart smaakte. Hij voelde zich als een God in Frankrijk, had hij haar meerdere malen lachend gezegd, als ze weer eens uitgeput na een hevige vrijpartij naast elkaar lagen, hun lijven nog verstrengeld en zich voorbereidend op de volgende keer.
Ze was halverwege de dertig en al enkele jaren weduwe omdat haar man gestorven was in één van de vele oorlogen die “l’ animal”, zoals ze haar afgezette keizer altijd noemde, had gevoerd. Haar huwelijk was, tot haar grote spijt, altijd kinderloos gebleven. “Waarom is het toch, mon chérie, dat jullie mannen toujours oorlog willen voeren? Wat willen jullie daar nu mee bewijzen? Hoe veel leed en lijden is er nodig voor vrouwen en kinderen voor dat jullie door zullen hebben dat oorlogen en veldslagen niets oplossen? Kijk nu naar mijn land. Uitgeput en verarmd met  duizenden mannen die nooit meer thuis komen, duizenden vrouwen die maar moeten zien dat ze in leven blijven, tienduizenden kinderen die zonder vader opgroeien en vaak sterven van de honger. Het land ligt er helemaal onbewerkt bij  de steden vervuilen, vrouwen spelen de hoer en sterven in ellende. Hele gezinnen verpauperen en zwerven langs de wegen en sterven in de diepste ellende in korenvelden en platgebrande hoeves en verlaten huizen!”  Ze was in deze gesprekken net zo fel als in het bedrijven van de liefde. Vandaag was ze in een mildere bui. Ze kwam de kamer in en overhandigde hem een envelop, die op een dienblad lag waarop een koffiegarnituur stond. “Voila, van jouw Marechal”, zei ze en zoende hem op zijn mond. Hij nam de envelop waan en keek haastig naar het adres. “Ja, inderdaad, van de Vorst zelf!” zei hij. Hij pakte haar, onddanks de pijn in zijn arm, onder haar oksels en tilde haar naar het bed. Hij begon haar hevig op haar mond te zoenen en, terwijl zijn tong haar tanden vond en zijn handen dwaalden naar haar keursje voelde hij dat haar tepels zich oprichtten.
Ze duwde hem met gespeelde boosheid met beide handen weg. “Nee, malloot, gekke officier van de paarden! Nee, ruwe Allemand, niet nu, je bent net nog geweest, hein? Ik heb er nog pijn van, daar beneden! Ga weg, kerel, ik moet naar de keuken. Jullie kerels denken maar aan een ding en dat is niet het huishouden, toe ga nu weg, oh, chérie, hou nu eens op, ik heb het echt druk.”
Lachend ontworstelde ze zich aan zijn greep, vluchtte weg van het bed en begon met beide handen haar kleding en haar in orde te brengen. Iets later was ze, na een vluchtig zoentje, verdwenen en hij schonk een kom koffie in uit de kan die Lou Anne gebracht had en ging verder met toilet maken. Daar mee gereed zijnde dacht hij opeens weer aan de brief van Blücher.

De Franse chirurgijn die hem, in een geimpoviseeerde verbandplaats, uiteindelijk had geholpen had hij horen zeggen dat het waarschijnlijk niet lang meer zou duren voordat Pruisen er weer een dode held had bijgehad. Dat was het moment waarvan hij zich, heel vaag, nog herinnerde dat Blücher zelf de operatie tent was binnengestapt. ‘Maarschalk Voorwaarts’, zoals één van zijn bijnamen luidde, had in duidelijk Duits de chirurgijn verstaan gegeven dat hij op moest houden met die ‘Verdammte Blödsinn’ en als de donder moest zorgen dat zijn ‘Helden Rittmeister’ opgelapt werd want anders zou het Franse chirurgijnengilde er wel eens een dode chirurgijn bij kunnen schrijven. De besnorde maarschalk had er persoonlijk voor gezorgd dat hij naar het kasteel van Flers werd gebracht om aan te sterken. Dat was alweer een goede acht weken terug geweest, ergens begin juli. Eens kijken, ja, tien weken zelfs, want hij besefte dat het nu al half september was. De oogst was ondertussen in volle gang en het graan zag er goed uit, ondanks de natte zomer.
Ondertussen was Louise-Anne binnengekomen en keek hem een beetje kritisch aan van onder haar donkere wimpers. Om te zeggen dat ze een mooie vrouw was, was als zeggen dat de zon scheen. Ze was een schoonheid in de klassieke zin van het woord. Een echte Française, vond hij. Ze was niet al te lang, ongeveer een meter vijfenzestig, slank en met een kleine buste en slanke heupen en een mooie taille. Haar gezicht was ovaal en werd omrankt door een bos donker krullend haar. Haar gelaat was regelmatig gevormd en haar neus was misschien een ietsje te spits. Haar ogen waren zeegroen en af toe dacht hij dat hij in die blik kon verdrinken. Haar mond was kersenrood en haar tanden regelmatig en porseleinwit want ze schuurde ze geregeld zoals hij wist. Op haar voorbeeld deed hij dat nu ook enkele malen per dag en hij vond het heel prettig om te doen. Ze was gekleed in de mode van die tijd, een jurk die hoog onder haar vrij kleine boezem aansloot. Hij wist dat ze geen hemd of hesje onder haar jurk droeg, hij had haar vaak genoeg ontkleed om dat te weten. Ze droeg geen hoofdbedekking en haar voeten waren gestoken in een paar elegante laarsjes. Hij had haar voor het eerst bewust opgemerkt toen hij na een week of twee ’s nachts wakker was geworden en voor het eerst in tijden bewust was dat hij nog leefde. Hij had dorst gehad en ook een vreselijke honger en had, tot zijn grote verbazing, opeens een lieftallige jonge vrouw aan zijn bed gezien. Ze had half gedommeld en werd wakker van zijn gewoel in bed. In rad Frans had ze hem aangesproken en hij had wat nerveus lachend, zijn beste schooljongens Frans aangewend om met haar te kunnen  praten. Twee dagen later was ze zijn minnares geworden. Hij was niet bepaald een schooljongen in de liefde geweest maar de vrije wijze waarop zij zijn bed deelde en waarop zij hun beider genot wist te bewerkstelligen was iets dat hij nog nooit had meegemaakt en, zoals dat gaat, was hij na een week haar slaaf geworden en tot over zijn oren verliefd. Verliefd? Of verslaafd aan haar lijf met die kleine borsten die perfect in zijn handen pasten, de lichtroze tepels die al rechtop stonden als hij er naar keek, zodat hij al een erectie kreeg als hij naar haar keek.  Haar huid zo zacht als een perzik en blank als room en de donkere delta onder aan haar buik die zo zacht en vochtig was en zo apart smaakte. Hij voelde zich als een God in Frankrijk, had hij haar meerdere malen lachend gezegd, als ze weer eens uitgeput na een hevige vrijpartij naast elkaar lagen, hun lijven nog verstrengeld en zich voorbereidend op de volgende keer.
Ze was halverwege de dertig en al enkele jaren weduwe omdat haar man gestorven was in één van de vele oorlogen die “l’ animal”, zoals ze haar afgezette keizer altijd noemde, had gevoerd. Haar huwelijk was, tot haar grote spijt, altijd kinderloos gebleven. “Waarom is het toch, mon chérie, dat jullie mannen toujours oorlog willen voeren? Wat willen jullie daar nu mee bewijzen? Hoe veel leed en lijden is er nodig voor vrouwen en kinderen voor dat jullie door zullen hebben dat oorlogen en veldslagen niets oplossen? Kijk nu naar mijn land. Uitgeput en verarmd met  duizenden mannen die nooit meer thuis komen, duizenden vrouwen die maar moeten zien dat ze in leven blijven, tienduizenden kinderen die zonder vader opgroeien en vaak sterven van de honger. Het land ligt er helemaal onbewerkt bij  de steden vervuilen, vrouwen spelen de hoer en sterven in ellende. Hele gezinnen verpauperen en zwerven langs de wegen en sterven in de diepste ellende in korenvelden en platgebrande hoeves en verlaten huizen!”  Ze was in deze gesprekken net zo fel als in het bedrijven van de liefde. Vandaag was ze in een mildere bui. Ze kwam de kamer in en overhandigde hem een envelop, die op een dienblad lag waarop een koffiegarnituur stond. “Voila, van jouw Marechal”, zei ze en zoende hem op zijn mond. Hij nam de envelop waan en keek haastig naar het adres. “Ja, inderdaad, van de Vorst zelf!” zei hij. Hij pakte haar, onddanks de pijn in zijn arm, onder haar oksels en tilde haar naar het bed. Hij begon haar hevig op haar mond te zoenen en, terwijl zijn tong haar tanden vond en zijn handen dwaalden naar haar keursje voelde hij dat haar tepels zich oprichtten.
Ze duwde hem met gespeelde boosheid met beide handen weg. “Nee, malloot, gekke officier van de paarden! Nee, ruwe Allemand, niet nu, je bent net nog geweest, hein? Ik heb er nog pijn van, daar beneden! Ga weg, kerel, ik moet naar de keuken. Jullie kerels denken maar aan een ding en dat is niet het huishouden, toe ga nu weg, oh, chérie, hou nu eens op, ik heb het echt druk.”
Lachend ontworstelde ze zich aan zijn greep, vluchtte weg van het bed en begon met beide handen haar kleding en haar in orde te brengen. Iets later was ze, na een vluchtig zoentje, verdwenen en hij schonk een kom koffie in uit de kan die Lou Anne gebracht had en ging verder met toilet maken. Daar mee gereed zijnde dacht hij opeens weer aan de brief van Blücher.
Meer dood dan levend natuurlijk, niet dat die sabelhouw nu meteen levensbedreigend was geweest, maar er was wel een groot bloedvat in zijn arm geraakt en hij had vreselijk veel bloed verloren. Vaag herinnerde hij hoe vreselijk koud hij het had gehad en hoe troebel zijn blik was geweest en dat hij op een gegeven moment ook meende dat hij doof was geworden, zo slecht hoorde hij nog de geluiden om hem heen. Toch was het niet zijn sterven geluid geweest, maar waren het de geluiden van mensen en dieren in doodsnood geweest die langs de weg naar het kasteel als beesten stierven, geweest.
De Franse chirurgijn die hem, in een geïmproviseerde verbandplaats, uiteindelijk had geholpen had hij horen zeggen dat het waarschijnlijk niet lang meer zou duren voordat Pruisen er weer een dode held had bijgehad. Dat was het moment waarvan hij zich, heel vaag, nog herinnerde dat Blücher zelf de operatie tent was binnengestapt. ‘Maarschalk Voorwaarts’, zoals één van zijn bijnamen luidde, had in duidelijk Duits de chirurgijn verstaan gegeven dat hij op moest houden met die ‘Verdammte Blödsinn’ en als de donder moest zorgen dat zijn ‘Helden Rittmeister’ opgelapt werd want anders zou het Franse chirurgijnengilde er wel eens een dode chirurgijn bij kunnen schrijven. De besnorde maarschalk had er persoonlijk voor gezorgd dat hij naar het kasteel van Flers werd gebracht om aan te sterken. Dat was alweer een goede acht weken terug geweest, ergens begin juli. Eens kijken, ja, tien weken zelfs, want hij besefte dat het nu al half september was. De oogst was ondertussen in volle gang en het graan zag er goed uit, ondanks de natte zomer.
Ondertussen was Louise-Anne binnengekomen en keek hem een beetje kritisch aan van onder haar donkere wimpers. Om te zeggen dat ze een mooie vrouw was, was als zeggen dat de zon scheen. Ze was een schoonheid in de klassieke zin van het woord. Een echte Française, vond hij. Ze was niet al te lang, ongeveer een meter vijfenzestig, slank en met een kleine buste en slanke heupen en een mooie taille. Haar gezicht was ovaal en werd omrankt door een bos donker krullend haar. Haar gelaat was regelmatig gevormd en haar neus was misschien een ietsje te spits. Haar ogen waren zeegroen en af toe dacht hij dat hij in die blik kon verdrinken. Haar mond was kersenrood en haar tanden regelmatig en porseleinwit want ze schuurde ze geregeld zoals hij wist. Op haar voorbeeld deed hij dat nu ook enkele malen per dag en hij vond het heel prettig om te doen. Ze was gekleed in de mode van die tijd, een jurk die hoog onder haar vrij kleine boezem aansloot. Hij wist dat ze geen hemd of hesje onder haar jurk droeg, hij had haar vaak genoeg ontkleed om dat te weten. Ze droeg geen hoofdbedekking en haar voeten waren gestoken in een paar elegante laarsjes. Hij had haar voor het eerst bewust opgemerkt toen hij na een week of twee ’s nachts wakker was geworden en voor het eerst in tijden bewust was dat hij nog leefde. Hij had dorst gehad en ook een vreselijke honger en had, tot zijn grote verbazing, opeens een lieftallige jonge vrouw aan zijn bed gezien. Ze had half gedommeld en werd wakker van zijn gewoel in bed. In rad Frans had ze hem aangesproken en hij had wat nerveus lachend, zijn beste schooljongens Frans aangewend om met haar te kunnen  praten. Twee dagen later was ze zijn minnares geworden. Hij was niet bepaald een schooljongen in de liefde geweest maar de vrije wijze waarop zij zijn bed deelde en waarop zij hun beider genot wist te bewerkstelligen was iets dat hij nog nooit had meegemaakt en, zoals dat gaat, was hij na een week haar slaaf geworden en tot over zijn oren verliefd. Verliefd? Of verslaafd aan haar lijf met die kleine borsten die perfect in zijn handen pasten, de lichtroze tepels die al rechtop stonden als hij er naar keek, zodat hij al een erectie kreeg als hij naar haar keek.  Haar huid zo zacht als een perzik en blank als room en de donkere delta onder aan haar buik die zo zacht en vochtig was en zo apart smaakte. Hij voelde zich als een God in Frankrijk, had hij haar meerdere malen lachend gezegd, als ze weer eens uitgeput na een hevige vrijpartij naast elkaar lagen, hun lijven nog verstrengeld en zich voorbereidend op de volgende keer.
Ze was halverwege de dertig en al enkele jaren weduwe omdat haar man gestorven was in één van de vele oorlogen die “l’ animal”, zoals ze haar afgezette keizer altijd noemde, had gevoerd. Haar huwelijk was, tot haar grote spijt, altijd kinderloos gebleven. “Waarom is het toch, mon chérie, dat jullie mannen toujours oorlog willen voeren? Wat willen jullie daar nu mee bewijzen? Hoe veel leed en lijden is er nodig voor vrouwen en kinderen voor dat jullie door zullen hebben dat oorlogen en veldslagen niets oplossen? Kijk nu naar mijn land. Uitgeput en verarmd met  duizenden mannen die nooit meer thuis komen, duizenden vrouwen die maar moeten zien dat ze in leven blijven, tienduizenden kinderen die zonder vader opgroeien en vaak sterven van de honger. Het land ligt er helemaal onbewerkt bij  de steden vervuilen, vrouwen spelen de hoer en sterven in ellende. Hele gezinnen verpauperen en zwerven langs de wegen en sterven in de diepste ellende in korenvelden en platgebrande hoeves en verlaten huizen!”  Ze was in deze gesprekken net zo fel als in het bedrijven van de liefde. Vandaag was ze in een mildere bui. Ze kwam de kamer in en overhandigde hem een envelop, die op een dienblad lag waarop een koffiegarnituur stond. “Voila, van jouw Marechal”, zei ze en zoende hem op zijn mond. Hij nam de envelop waan en keek haastig naar het adres. “Ja, inderdaad, van de Vorst zelf!” zei hij. Hij pakte haar, onddanks de pijn in zijn arm, onder haar oksels en tilde haar naar het bed. Hij begon haar hevig op haar mond te zoenen en, terwijl zijn tong haar tanden vond en zijn handen dwaalden naar haar keursje voelde hij dat haar tepels zich oprichtten.
Ze duwde hem met gespeelde boosheid met beide handen weg. “Nee, malloot, gekke officier van de paarden! Nee, ruwe Allemand, niet nu, je bent net nog geweest, hein? Ik heb er nog pijn van, daar beneden! Ga weg, kerel, ik moet naar de keuken. Jullie kerels denken maar aan een ding en dat is niet het huishouden, toe ga nu weg, oh, chérie, hou nu eens op, ik heb het echt druk.”
Lachend ontworstelde ze zich aan zijn greep, vluchtte weg van het bed en begon met beide handen haar kleding en haar in orde te brengen. Iets later was ze, na een vluchtig zoentje, verdwenen en hij schonk een kom koffie in uit de kan die Lou Anne gebracht had en ging verder met toilet maken. Daar mee gereed zijnde dacht hij opeens weer aan de brief van Blücher.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten