zondag 30 oktober 2016

Het verdwenen kasteel (2)



2

De zondag was, nadat de wacht afgelost was en de kerels hadden gegeten, zoals altijd, begonnen met een inspectieronde door hem en Nonkel Paul en er viel niet al te veel op te merken. Zijn compagnie was er een van oude doorknede kerels die hun zaakjes goed voor elkaar en hun wapens schoon en tot vuren gereed hadden. De vier lichte machinegeweren in zijn compie liet hij echter toch beter een andere plek innemen, waar ze effectiever vuur zouden kunnen leveren. De rest van die dag bracht hij door met luieren, roken, lezen en het schrijven van brieven aan vrienden en familie en rond half tien die avond sliep hij ontspannen in. Om twee uur ’s nachts schrok hij wakker van een hoge fluittoon, na een tel later gevolgd door een enorme knal. “Verdomme”, riep Nonkel Paul, die ook in zijn, in de heuvel uitgegraven verblijf sliep. Als oude rot aan het front was die natuurlijk meteen wakker en alert. ‘Die verrekte Tommy’s beginnen midden in de nacht een beschieting. Dat wordt een grote aanval. Godverdomme!’ Het alarm klonk meteen, gegeven door een van de luitenants die op post stond en de mannen die vrij van wacht waren bezetten in allerhaast hun aangewezen posten, ondertussen hun wapens doorladend. Het vuur van de vijandelijke kanonnen lag vooral hoog en viel daardoor dus voornamelijk achter hun linies. Dat gaf in die omgeving vooral een hoop gekanker onder de zogenaamde ‘ouwere’ mannen, die overigens ook pas rond de twintig jaar oud waren, omdat die hun tijdelijke behuizing, die ze zelf hadden mee op hadden helpen bouwen, door dat bombardement in vlammen op zagen gaan.
‘En net nou die verrekte syfilislijders van de tweede er uit zijn, scheiss nog mahl’, kankerde een oudere korporaal. ‘Nu hebben die eikels godsamme een paar weken rust gehad achter de linie en dan hebben wij weer stront, natuurlijk.’ De beschieting was behoorlijk intensief maar wel niet echt effectief, in hun loopgraven niet in ieder geval.
Een heel enkele  granaat trof echter wel zijn ndoel en er sneuvelden ondertussen wel twee van zijn mensen. Hij liet, op de paar wachtposten na, iedereen terug trekken in een paar bomvrije uitgegraven ruimtes, die een meter of drie lager lag dan de eigenlijke loopgraaf en hij bleef zelf tussen de verblijven rondlopen en zijn mannen zoveel mogelijk toe spreken. Niet dat die kerels in paniek raakten, ze waren al te vaak beschoten om echt bang te zijn, maar hij wist uit ervaring dat zijn aanwezigheid een rustgevend gevoel gaf bij ‘der Jungs’ zoals Nonkel zijn soldaten noemde. Het bombardement duurde twee uur en toen daalde een haast weldadige stilte over hen neer. Meteen was elke soldaat nu volledig op zijn hoede en gealarmeerd. Want als de artilleriebeschieting ophield, dan begon de aanval van de vijand, dat wisten ze allemaal. Iedereen nam zijn plaatsen op het vuur banket in en richtte de doorgeladen wapens naar het niemandsland, waarvandaan de vijand zou komen. ‘Op mijn teken’, brulde hij. ‘Wacht tot je ze ziet en ze dicht genoeg bij zijn! Verspil geen kogel!’
Nu brak van hun zijde de hel los. Machinegeweren en Mausers, Lügers en lichte mitrailleurs, alles vuurde met indrukwekkende snelheid op de naderende vijand, die als grauwe schimmen uit de ochtendnevel die dicht op het land lag, opdook. Het werd een slachting. Rij na rij vielen de Britse of Nieuw-Zeelandse manschappen onder het geconcentreerde vuur uit hun loopgraven. Maar, met zijn geschoolde oor voor alle geluiden die op gevaar konden duiden aan het front, hoorde hij nog iets anders damn het trommelviiur. Iets dat hij niet gauw kon plaatsen. Iets mechanisch, leek het wel, een soort diepe brom toon, een geratel, een aard toon die langzaam luider werd. Voorzichtig stak hij zijn hoofd boven de vuurddekking uit. Hij schrok! In de nu glooiende schemering zag hij opeens een paar stalen monsters opduiken. Hij greep zijn kijker en richtte die op het dichtstbijzijnde monster. Wat is dit? schoot door hem heen. Wat is dit voor de donder, dit heb ik nog nooit gezien. Een veldwagen, een veldkombuis? Nee, natuurlijk, dat zijn verdomme nog aan toe vuurmonden!  In de vergroting van zijn ‘Zeiss’ zag hij een vierkant front van grijs staal dat zich duikend en stijgend over de pokdalige grond voortbewoog, aangedreven door een soort, ja, wat was het, een soort van kettingen, leek het wel. Hij zag een, in zwarte verf geschilderd nummer, op de flank van een van de mechanische wapens, die links van het op hem aankoersende voertuig reed. D 16 was het nummer, maar wat betekende dat? Het meeste deed het ding, nu ja, die dingen, hem denken aan de primitieve tractoren die, aan het eind van de zomer, de dorsmachines voortsleepten van boerderij naar boerderij als het koren gemaaid was, maar deze waren dan wel een heel stuk dodelijker. Aan beide zijden van de machine waren geschutskoepels aangebracht, zoals hij ze bij de slagschepen in de marinehaven van Kiel wel eens had gezien. Die koepels spogen ondertussen vuur en dood en verderf. Zijn eerste reactie was die van blinde angst voor deze helse uitvindingen en hij wilde zich in veiligheid brengen. Naar achteren, dacht hij, weg hier, weg, vlucht, ga naar de veiligheid van de achterste linies.
Ook aan de hapering van het vuren van zijn manschappen merkte hij dat die geschrokken en bang waren. Hij gleed al van zijn vuursteun en wilde zijn wapen wegsteken, toen Nonkel Paul om de hoek van de loopgraaf verscheen. ‘Scheisse mensch, wat zijn dat voor zaken?’ brulde de “Spiess”. ‘Ik weet het niet Nonkel, maar ik weet wel, dat we weg moeten. Trek de secties één voor één terug naar achteren. Bel HK dat we terugvallen op de lijn voor Flers. Ik blijf met de MG’s tot jullie weg zijn en kom je dan na, maar snel, man, snel.’
Hij keek weer naar voren en zag een derde en een vierde monster opdoemen uit de allengs lichter wordende achtergrond. Terwijl Schmidt zijn orders brulde naar de pelotonscommandanten en naar de sectie-onderofficieren rende hij gebukt naar de plek waar hij de lichte machinegeweren had geconcentreerd. ‘Vlug Jungs, concentreer je vuur op de voorste van die dingen. Met een beetje mazzel houden we ze tegen. Concentreer je op de vuurmonden, daar kun je misschien treffers plaatsen.’ De mannen keken hem stomverbaasd aan en de vragen over wat dat dan wel voor onheils machines konden zijn, waren niet van de lucht, maar hij onderbrak elke vraag. ‘Vuren, manne, vuren, onze levens hangen er van af.’
Grimmig deden de schutter en hun helpers wat hun was opgedragen en een hels vuur barste meteen los op de voorste van de brullende en stinkende monsters. En met succes, want na een minuut of twee geconcentreerd vuur en waarschijnlijk verschillende treffers in de schietgaten, trok de machine naar links en tuimelde op zijn zij in een granaattrechter. De manschappen joelden en juichten en ook hij kon een gevoel van euforie niet bedwingen en joelde mee met zijn mannen. Maar de vreugde was van korte duur. Want uit de nevels en de regen meer en meer van de moordmachines op, vuurspuwend uit de lopen van hun kanonnen en machinegeweren. Nog eenmaal raaakte de MG sectie een voertuig en ook dat bleef staan in de modder. Waarschijnlijk hadden de schiutters munitie geraakt, want met een daverende knal ontplofte er iets in het binnenste van de, ja van de wat? In ieder geval werden brokken staal en zo te zien lichaamsdelen, meters hoog en ver geslingerd en hij hoorde het krijsen van stukken staal die vlak over zijn hoofd werden geslingerd.
Ondertussen geschiedde de terugtocht gedisciplineerd, hoewel het Duitse leger niet gewend was om zich terug te trekken. Geweergroep na geweergroep ging naar achteren, ging daar dan in dekking en zorgde, door geconcentreerd vuur uit te brengen, dat de andere groep vervolgens naar achteren kon trekken. Ook hij verliet als laatste zijn post met zijn machinegeweer groepen. Na een half uur waren ze in de achterste linie gekomen en besloot hij meteen appel te houden. Iets later meldden de pelotons commandanten de verliezen. In totaal waren er 13 man dood of vermist. Een paar gewonden waren ondertussen al afgevoerd naar de verbandpost waar de arts en zijn sani soldaten zich over hen ontfermden. Hij had al bevel gegeven om vuursteun aan te vragen en de veldartillerie liet niet lang op zich wachten, maar hun vuur lag niet goed. Zelf had hij ondertussen ‘Bataljon’ aan de telefoon gehad. Gelukkig deden de verbindingen het nog. Maar ‘Bataljon’ wist ook niet veel meer mee te delen dan dat hij deze positie tot het uiterste moest houden. Op zijn rapport over de grote stalen landslagschepen, zoals hij de gevaartes uiteinddelijk maar noemde, kwam een vaag verhaal waaruit bleek dat de leiding er ook niet veel van wist. Hij maakte een snelle potloodschets van die wapens in zijn zakboekje, trok de pagina eruit en en stuurde die door een loper naar het hoofdkwartier in Bapaume, maar voorlopig verwachtte hij geen antwoord terug. De situatie werd er niet beter op, want de Britten, gesteund door de krijgsmachines, waren in een winnaarsstemming en rukten snel en fel op. Hij nam toch nog maar eens contact op met de staf en liet aan de kolonel vertellen dat hij zich definitief terug wilde trekken op Flers. Hij kreeg uiteindelijk dan toch toestemming met de mededeling om dat dorpje kostte wat het kostte te behouden. Gebruik makend van een rustigere periode, trok de compagnie terug op het vernielde plaatsje en groef zich in, aan beide zijden van de Rue Principale, de doorgaande weg van Combles naar Bapaume. De Impasse Pauline, een doodlopend straatje dat vlak voor het minidorpje liep, leidde naar de begroeide heuvel waar een ooit trots kasteel stond, maar dat nu een ruïne was, waarvan de restanten van muren en een stuk van de slotgracht nog herkenbaar waren. Hier vond een loper van het hoofdkwartier hen. Het bevel luidde: “Hergroeperen en een tegenaanval zo snel als gereed en zodra de reserves waren aangetreden”.
Er zou dus een reserve divisie in het veld worden gestuurd, maar die kon pas hoogstens over zes uur hier zijn. Tot die tijd: “Standhouden en ingraven”. Ze hadden nauwelijks hun nieuwe stellingen zo goed en kwaad als het ging betrokken tot ze weer het enorme gedreun van de rijdende slagschepen hoorden. Vier van die monsters rukten nu op en weer trokken ze zich terug. Rond de middag lagen ze ondertussen al achter Flers in een zompig weiland. Ze lagen nu achter de vijandelijke linie, bleek. De grote machines waren hen voorbij gerold en hadden zijn troep niet opgemerkt. Veel gevechtsmachines waren er ook niet meer, overigens. Vaak waren ze in loopgraven of granaat trechters blijven steken, begrepen ze.
Verdere verliezen had de zevende niet meer geleden en er was nu even tijd om iets te eten. Dat de sfeer weer goed was, of dat de nood hoog was, bleek wel weer uit allerlei flauwe grappen die de ronde deden. Als de nood hoog is, was het in de zevende compie tijd om witzen te vertellen. Vooral flauwe witzen. Jurgen vertelde een mop. ‘Mann, oh mann, ik was gisteren op ziekenappel, komen net twee officieren de tent uit. Zegt die ene luitenant tegen de andere: “Nou, die sjankermonteur snapt er ook geen moer meer van. Ik kom bij hem, hij onderzoekt me en zegt dat ik een tennisarm heb. Ik zeg, maar man, ik heb nog nooit getennist. Zegt die andere officier: “Ja en tegen mij zegt ‘ie dat ik een geslachtsziekte heb, maar ik heb nog nooit geslacht.”’ Er was hilariteit alom. Hij moest zelf ook grijnzen maar toch wat nijdig op zichzelf door zijn schrik reactie en zijn angst voor de stelen monsters rukte hij een blik noodrantsoen open en zette zijn blikken lepel in de maaltijd die uit “Schweinefleisch mit Nudeln” bestond en die volgens de fabrikant meteen energie terug bracht in uitgeputte lijven. Nou, dat had hij wel nodig, een beetje energie. Hij was uitgeput na zo’n dag vechten en terugtrekken. Schmidt, die langs zijn ‘Jungs’ was geweest en hen had bevolen om te rusten en te eten en hun uitrusting te herstellen, liet zich naast hem neerploffen en trok ook een blik open. ‘Is het je opgevallen, kap’tein, dat we geen Tommy’s zien? Na die machines zou je verwachten dat die wel er direct achter aan zouden komen rennen, maar ik zie geen moer. Ik hoor ze ook niet en het schieten is een stuk minder, toch?’  Dat viel hem nu ook opeens op. Haastig schrokte hij zijn blik leeg, nam nog een haastige slok uit zijn veldfles en greep zijn kijker. ‘Kom op, Nonkel, we gaan op verkenning uit! Hansema, blijf hier wij gaan verkennen. Wees scherp maar kijk uit voor als we terug komen. ‘Bayern’ is ons wachtwoord, hebben?’  Hansema knikte en samen met de Feldwebel sloop hij via allerlei natuurlijke hindernissen terug naar Flers. Ze deden zo omzichtig mogelijk want de kans om door de vijand alsnog beschoten te worden was heel erg groot. Af en toe keek hij door zijn kijker om te zien hoe de troepenconcentratie van de Tommy’s was. Hoe dichter ze het dorpje naderden, hoe duidelijker het werd dat de vijand geen georganiseerde doorstoot van plan was te maken of kon maken, misschien zelf verrast door het succes van de machines. Ze trokken gezamenlijk heimelijk op naar de ruïne van het kasteeltje, of het slot en hoorden duidelijk stemmen. Er werd door minstens twee man Engels gesproken en hoewel hij de taal beheerste kon hij niet volgen wat er gezegd werd. Hij nam zijn wapen in zijn hand en beduide Schmidt met een handgebaar om het zelfde te doen. Na een paar minuten waren ze dermate dichtbij de sprekende mannen gekomen dat hij het gesprek kon volgen. De mannen, hij hoorde twee stemmen, zaten achter een muurtje dat vroeger mischien tot een koetshuis of zo van het kasteel had behoord, maar nu bijna helemaal afgebroken en verweerd was.
‘No more bloody officers around’, verstond hij, ‘what now eh?’ De spreker had een accent dat met een bajonet te snijden was en zijn toon was klagerig. ‘But I’m an officer dear chap’, zei een tweede meer gecultiveerde stem. “Yeah, but you’re an bloody signals loewie, mate, not a fucking real fucking lines officer. We need to know whotter we got ter do, see, attack them fucking Jerry’s or what, eh? So let’s see what your bloody signalsman comes up wif, if there’s really a bloody officer coming down from HQ or what.’
Hij had genoeg gehoord nu. Het bleek dat de Engelsen bij hun aanval zo goed als al hun officieren hadden verloren en dat ze nu niet meer wisten wat ze moesten doen. Hij vermoedde dat de eerste spreker een soldaat of misschien een onderofficier was en dat de tweede man een verbindingsofficier was, die natuurlijk weinig veld ervaring had. Vandaar dus het uitblijven van de stoot naar voren. Dit gesprek, dat hij afluisterde, bleek dus een gedroomde kans voor de tegenaanval. Als de vijand geen leiding meer kon krijgen, doordat hun leiders er niet meer waren, kon zijn compie, sman met de reserve divisie een tegenaanval voorbereiden en uitvoeren. Hij werd opgetogen en kneep Nonkel in zijn arm. Die had hetr verhaal niet meegekregen, zijn Engels was niet goed genoeg, maar hij vertrouwde helemaal op zijn jonge commandant. Ze besloten niet langer te wachten, sprongen over het lage muurtje heen en zag de twee Engels sprekend mannen tegen een brok muur restant geleund zitten, veldflessen in de ene hand, sigaretten in de andere. Hun gezichten en handen waren besmeurd met roet en kruitslijm en hun tunieken waren gescheurd en bemodderd. De oudste van de twee was, aan de chevrons op zijn mouw te zien, inderdaad een sergeant en de tweede man had de ‘pip’ van tweede luitenant op zijn schouders. ‘Hande hoch, jullie zijn mijn gevangenen! My prisoners!’ schreeuwde hij en duidde met zijn Lüger. Ook Nonkel Paul had zijn wapen op hen gericht. De sergeant vloekte en greep zijn Lee Enfield. Een korte vuurstoot uit de Mauser van Schmidt sloeg hem tegen de vlakte. De officier stak zijn handen omhoog en hij beduidde hem te gaan staan. De man was halverwege de twintig en had bruin en opzij gekamd haar. Hij droeg een kleine snor en had regelmatige gelaatstrekken en  heldere blauwe ogen waarin een intelligente blik lag. Hij keek ontdaan en geschrooken maar had ook iets flegmatischs in zijn blik.
Schmidt ontwapende de luitenant, voelde aan de halsslagader van de onderofficier en gaf een korte knik met zijn hoofd. De man was duidelijk dood.
Iets later liepen ze gebukt terug naar hun eigen linies, de Engelse officier tussen hen in. Na het roepen van het wachtwoord kwamen ze in hun voorlopige stellingen terug. Hij gaf een koerier opdracht om aan het hoofdkwartier te melden dat in een afgeluisterd gesprek was gebleken dat er nauwelijks meer officieren bij de vijand in leven waren en dat dit het moment voor een tegenstoot zou kunnen zijn. Daarna nam hij de gevngen genomen officier apart en vroeg de man naar de aanwezigheid van hun troepen en hun locatie. De man herhaalde alleen zijn naam  en serienummer. ‘Ik ben tweede luitenant John Ruben Tolkien, serial number E1298564, verbindings officier Lancashire Fusiliers.’ Veel meer hoefde de man ook niet te vertellen volgens de wet op de krijgsgevangenen, de wet van Geneve. In afwachting van het transport dat de Engelsman ver achter de linies zou brengen, raakten ze kort in gesprek. Een beetje grimmig merkte de Engelsman op dat zijn naam, Tolkien, een verbastering was van het Duitse woord  “Tollkühn” en dat zijn familie van oorsprong uit Saksen kwam, maar dat hij zich nu helemaal niet Tollkühn oftewel‘overmoedig voelde’. Ook vertelde hij dat hij les gaf in Oxford, dat hij wilde gaan schrijven en van een reis die hij naar Zwitserland had gemaakt. Verder vertelde hij dat hij gedichten schreef en dat hij net getrouwd was. Hij miste zijn vrouw, Edith, vreselijk, zuchtte hij en vroeg of zijn collega officier ook het genot van het huwelijk kende. Hij zuchtte ook en vertelde dat hij nog niet de ware was tegengekomen. Na een tijd kwam het gesprek op boeken en verhalen en het bleek dat ze veel van dezelfde schrijvers hielden.
Bataljon had nog steeds niet gereageerd op zijn bericht en ook de Feldpolizei. die luitenant Tolkien moesten afvoeren. kwamen niet opdagen.
Het gesprek verliep verder zo geanimeerd en vrolijk dat er, na een half uur al, een soort vriendschap ontstond en hij vond dat hij de jonge luitenant niet naar de krijgsgevangenkampen kon laten afvoeren. Op een bepaald moment nam hij Tolkien apart en zei hem dat ook. ‘Luister John, binnenkort gaan we een tegenaanval opzetten. Dat begint altijd als een heleboel chaos. Ik zal niet op je kunnen letten op die momenten. Over een paar minuten zal je misschien worden afgevoerd naar de achterste linies. Ik vind het vreselijk om je de rest van de oorlog in krijgsgevangenschap te zien, dat begrijp je, neem ik aan? Ja, ik moet wat dingen doen, voor de Feldpolizei er is. Ik geloof dat ik me zo even omdraai om de stafkaart te bekijken en dat de Feldwebel bezig is om de manschappen te inspecteren, versta je? Und wer weiss, nach dem Krieg?’
Hij draaide zich om, bukte naar zijn kaartentas en keek na een minuut of wat weer op. Tolkien leek verdwenen alsof hij onzichtbaar was geworden. Het laatste dat hij van hem zag was een gebogen gestalte die van terreingesteldheid naar terreingesteldheid sloop. Nonkel Paul kwam terug van een snelle inspectie van de mannen. ‘Is het niet gevaarlijk kap’tein, dat je hem hebt laten gaan? Misschien verraad hij ons plan voor de tegenaanval?’ Hij stelde de ‘Spiess’ gerust. Tolkien zou zijn gezicht wel houden. Bovendien was hij waarschijnlijk net in zijn eigen linie op het moment dat zij de aanval zouden inzetten.

Een half uur later had de reserve divisie zich bij hun gevoegd en had hij zijn verslag van de verkenning van het terrein aan de majoor, bij wiens bataljon zijn compagnie tijdelijk werd ingedeeld, gedaan. Hij vertelde uitgebreid zijn verhaal over de stalen monsters en de majoor, Rommel heette hij, knikte. Ja, daar had hij van gehoord. In Courcelette, een paar kilometer naar het westen, waren ook nog eens twee van die monsters uitgeschakeld door de veldartillerie en de bemanningen waren gevangen genomen. Uit verhoren hadden ze verteld dat het een nieuwe Engelse vinding was die vandaag voor het eerst werd ingezet om de Duitse stellingen te doorbreken en dat het wapen in de ontwikkeling stage ‘tank’ werd genoemd om zo de inlichtingendiensten op een dwaalspoor te brengen. Die moesten dan denken dat het om een soort water- of brandstof tank zou gaan.
Hij meldde zich weer bij zijn troep en door hetzelfde terrein sluipend waar hij die ochtend met Schmidt al was geweest, bereikten ze de tijdelijke stelling van de Britten. Het was ondertussen wat droger geworden maar, hoewel het pas tegen drieën was, leek het al schemerig door de laaghangende wolken die het Franse land nog grauwer maakte dan het al was. Commando’s klonken en de mannen sprongen op, vuurden met hun Mausers en maakten zo een overweldigende indruk dat de tegenstander, die nu alleen een paar lagere onderofficieren als leiding had, na een paar minuten in volle terugtocht was. Hij rende voor zijn mannen uit, ondertussen zijn wapen herladend en zo bereikte hij de ruïne van het oude Chateau de Flers. Hij keek snel rond en zag dat hij vel te ver voor de compie was uitgerend. Hij gaf een armsignaal dat “op mij verzamelen” betekende, maar wist niet of zijn mannen hem konden zien. Hij bereikte de oude slot muur en sprong, bijna bij hetzelfde plekje waar ze Tolkien hadden gevangen genomen, over het muurtje. Hij landde op beide voeten en wilde een moment wachten om te zien of zijn kerels zich bij hem zouden aansluiten. Met bevende handen en hijgende ademhaling trok hij een pakje sigaretten tevoorschijn, stak op en inhaleerde diep. ‘Not so clever, Hun’, was het laatste wat hij hoorde voor een verlammende pijn in zijn rechter arm hem het bewustzijn deed verliezen.







dinsdag 18 oktober 2016

Het verdwenen kasteel.



1

Toen hij eindelijk, na een diepe en verkwikkende slaap, wakker werd was de eerste gedachte die door hem heen schoot dat het dus zo was om weer thuis te zijn, dat het dus zo was om weer normaal te leven. Dat er dus eindelijk vrede was gekomen. En dat hij nog leefde! Hij had dus twee jaar hel overleefd en was er ook nog redelijk ongeschonden uitgekomen. Dit was dus thuis. Dit was goed. Hij opende langzaam zijn lodderige ogen en zag de zon zacht door de gordijn vallen en lichtvlekken over de in zachte pasteltinten geverfde muren trekken. Hij wist nog dat hij voor het laatst in zijn jongens slaapkamer had geslapen de dag voor hij naar het front vertrok. Zij compagnie had toen een dag verlof gekregen, voor ze naar de treinen, die hen naar het front zouden brengen, moesten gaan. Hij keek naar boven door wimpers die nog zwaar waren van de diepe en genezende slaap waarin hij gedompeld was geweest. Hij zag de verf die wat afgebladderd was bij de vochtplek in de hoek, waar ooit eens tijdens een enorme onweersbui een afgebroken tak van de grote beuk naast het huis op het dak was terechtgekomen, de verkleuring van de muur daaronder, waar, door het vocht,  het behang nooit meer goed zou houden, zijn boekenplankjes waarop boeken Karl May en August Niemann stonden. Maar ook Vergilius’ Aeneas en andere  schoolboeken en hij lachte inwendig toen hij bedacht hoe Herr Zucker, de leraar Latijn aan het gymnasium, hun op de dag dat ze zich hadden aangemeld voor dienst in het regiment, had voorgehouden om schoolboeken mee te nemen. Ze hadden zich in de eerste schoolweek, half juli van 1914, collectief aangemeld om dienst te nemen. Ze hadden al lang door dat de moord op de Oostenrijkse aartshertog Frans Ferdinand een oorlog zou kunnen inhouden, temeer daar de Servische regering niet inging op het ultimatum dat de Oostenrijkers hadden gesteld. De Kaiser was er natuurlijk als de kippen bij geweest om op 5 juli de Oostenrijks-Hongaarse regering toe te zeggen dat hij vond dat zij zo snel mogelijk de oorlog met Servië aan moesten gaan. Hij verzekerde de zuiderburen dat hij een interventie van Rusland zou beantwoorden met een oorlogsverklaring. Hun klassenleraar, Herr Köster, die ook hun Landwehr officier was, was een gewezen officier uit de oorlog van ’70 – ’71, had hun aangeraden zich nu vrijwillig te melden. “De oorlog zal kort worden, mannen”, hij had hun altijd mannen genoemd, alsof hij het nog tegen zijn compagnie in de slag bij Metz had gehad, “meld je nu, dan pik je nog wat eer mee. Deze oorlog zal de laatste zijn waar ons Vaderland aan mee zal doen, want we staan nu op de hoogste toppen van beschaving en alleen de Engelsen kunnen met ons wedijveren. Maar, zij de wereld en de koloniën, wij Europa, zo zal de toekomst worden.”
Ze reisden de week daarop al met de trein naar Hannover reisden, waar het 73ste regiment fuseliers, onder generaal veldmaarschalk Prins Albrecht, bevelhebber van het 10e leger, in garnizoen lag en waar ze zouden worden opgeleid. Köster en Zucker hadden hen nog uitgezwaaid en de laatste had hen nageroepen: “dat ze dan tijdens hun pauzes flink moesten studeren, dan konden zich voorbereiden op hun verdere leven, na de oorlog.” Alsof er pauzes waren geweest, daar bij Tannenberg, Ieper en Langemark.
Ze hadden een verkorte en versnelde militaire basisopleiding gevolgd en waren na vier weken soldaat. Wat waren ze trots geweest op hun ‘Feldgrau’ uniform met de ‘Pickelhaube’, de helm met de piek erop. Hun regimentsnummer hadden ze op  de schouderstukken genaaid en hun laarzen glommen als ‘een hondenlul in de maneschijn’ zoals Unteroffizier Breyer, hun opleiding sergeant, het altijd had genoemd.
Heel snel daarop waren ze met de trein naar Oost Pruisen vertrokken en waren ze op de vijfentwintigste augustus in Osterode aangekomen. Die hele dag en de volgende hadden ze gemarcheerd en uiteindelijk waren ze net op tijd geweest om de laatste vier dagen van de enorme veldslag tegen de Russen, bij Tannenberg, mee te maken. Zijn bataljon had zoveel verliezen geleden dat hij na de slag al bevorderd was tot korporaal. Ook had hij hier zijn IJzeren Kruis Tweede klasse ontvangen, nadat hij, samen met een gewonde kok, een eskadron huzaren op de vlucht had gejaagd door hun onophoudelijk te bestoken met machinegeweervuur, waarbij de kok als lader optrad.
Albrecht was daar al op de eerste dag, gevallen en dikke Heinz ook.  Georg was afgevoerd met een geamputeerde arm, zeventien jaar jong. Manfred was blind geworden toen een handgranaat te vroeg in zijn hand ontplofte.
Van de officieren en onderofficieren was de helft gesneuveld of zwaar gewond geraakt. De verliezen aan hun kant waren 10.000 doden en gewonden geweest, terwijl de vijand 30.000 verliezen had. Daarbij waren ook nog eens 90.000 krijgsgevangen gemaakt.
Toen de Russische winter inviel was zijn regiment naar het westfront gezonden en ingedeeld bij het tweede leger. Voor hem had het de officiersschool betekent, waar hij een half jaar had gezwoegd op de leerstellingen van Clausewitz en Scharnhorst  en andere veldheren. Verlof had hij niet gekregen en na zijn aanstelling tot ‘Unterleutnant’ werd hij alsnog naar het westen gezonden, waar hij zijn regiment terugvond in betrekkelijke rust in de Artois. Hij had een peloton toegewezen gekregen, allemaal veteranen die al vanaf augustus ’14 hadden gevochten maar het kostte hem weinig moeite om zijn plek te vinden en de mannen begonnen hem al gauw te mogen. Natuurlijk ook omdat hij er een van hen was geweest, en ook in de modder had gelegen en ook in koude en hitte had gemarcheerd, luidkeels hun onderofficieren en officieren vervloekend voor weer een order en weer een tegenorder, voor weer een geforceerde dagmars een weer een contra mars. Hij sprak hun taal en zij de zijne.
Hij had verlof gevraagd en gekregen maar verder dan Metz waren hij en zijn mede luitenants Anton en Helmut niet gekomen. De rest van de week hadden ze zuipend en hoererend in de bordelen van de stad doorgebracht en na die week waren ze geradbraakt en kapot terug gekomen. Hun eerste liefdesavonturen, hadden ze het maar genoemd, een beetje beschaamd. Ze waren alle drie inderdaad als maagd aan hun verlofweek begonnen maar Lisette, zijn vaste vriendin voor die week, had wel geweten hoe ze hem de liefde moest bij brengen. Nou ja, liefde, lust, meer was het niet. Zij was ingewijd in alle knepen van haar vak en deed het met verve. Bij haar en met haar beleefde hij zaken en zag hij dingen die hij nooit gezien had, zelfs niet op de bruingelige foto’s die ‘Vieze Hans’ stiekem meenam naar school en die uit de collectie van zijn vader, een bioscoop exploitant, afkomstig waren. Daar stonden stevige rondborstige dames en heren met machtige snorren op in poses die bijna anatomisch onmogelijk waren. Ze hadden nooit geweten dat de ‘daad’, waar ze altijd fluisterend over spraken en ’s nachts heimelijk aan dachten met hun handen onder de dekens, er zo uit moest zien. Blijkbaar was hij een zo goede en enthousiaste leerling geweest dat Lisette na een dag of wat al verzuchtte dat hij “Le grand Amand” was van haar leven. Ook zij had de nodige zuchten geslaakt en had verlangd naar meer, maar aan het einde van de week had ze ook gezegd dat ze blij was dat haar lichaam even rust kreeg. Het zou nog wel even duren voor ze weer een klant kon ontvangen, zo opgezet en schrijnend was alles ondertussen bij haar geworden. Maar liefde? Nee, dat had hij niet gevoeld bij haar. Verliefdheid, geilheid, ja, ze maakte hem gek met haar blanke lijf, haar stevige kleine borsten met donkerbruine tepels, de donkere driehoek tussen haar dijen met die aparte geur en smaak, maar liefde? Nee, niet zo als bijvoorbeeld zijn jeugdliefde voor Greta, de notarisdochter met wie hij in zijn tweede schooljaar had gelopen en van hij wel eens een kusje stal, in het prieel aan het boslaantje.
Nee, liefde was iets anders dan het heerlijke en onbezorgde rollebollen  met de snollen van Metz. Wel had hij heel even spijt gehad toen hij terug moest naar zijn onderdeel en had hij, heel even, met de gedachte gespeeld om bij haar te blijven. Maar Lisette zelf was slim genoeg om te beseffen dat dat hopeloos zou zijn. “Waar moet je van leven, mon amour?” had ze gevraagd, “je bent een Boche in Frankrijk, na de oorlog heb je hier niets. Zelfs nu willen de mensen je niet. Ja, bien, jullie zijn de bezetters in uniform en daardoor durven ze niets te ondernemen, mijn fiere landgenoten, maar geloof me, het gaat niet. Ik ben maar een snolletje en verdien geld op de straat. Maar jij hebt een uniform en je bent officier en je hebt je eed aan je land gezworen, hoe ik dat land ook verfoei.” Ze had gelijk gehad natuurlijk en met hangende pootjes en vol liefdesverdriet, maar ook opgetogen om al wat ze meegemaakt hadden, waren ze teruggegaan. Hij had nog een paar brieven aan haar geschreven, maar nooit iets terug ontvangen en nu was ze niet meer dan een mooie herinnering in zijn leven. Helmut kreeg nog wel een enkele keer een brief van  Brigitte, zijn mollige vriendinnetje, die hij altijd liefkozend ‘Schweinchen’ noemde, maar die kon ook, op zijn navragen, alleen maar antwoorden dat Lisette de stad uit was. Waar naar toe? “Je ne sais pas, donc.”
Na hun terugkeer was het regiment korte tijd later naar het zuiden afgemarcheerd en waren sinds eind mei ingedeeld bij het eerste leger onder Von Fabeck. Ze hadden loopgraven betrokken in het gebied Thiepval en Hamel en ze verdedigden daar de brug over het riviertje de Ancre en de spoorlijn van Albert naar Arras, die door het dal van de rivier liep. De dienst was hier vrij rustig geweest. Behoudens de patrouilles in het frontgebied en de schotenwisselingen over en weer hadden zij van het 73ste zich een beetje met vakantie gewaand. De dienst was ook niet al te zwaar en, in tegenstelling tot de vreselijke modder van Vlaanderen, hadden ze hier harde behuizing uit kunnen graven in de krijtrotsen. De loopgraven waren bijna altijd droog, zelfs na de stortbuien van de afgelopen herfst en de sneeuwval van de vrij zachte winter. Het eten werd op tijd opgevoerd uit de keukenwagens en was altijd nog zo goed aal warm en zelf redelijk eetbaar, hoewel de Goulash hun af en toe de oren uitkwam. Tot de eerste juli. Toen zetten de geallieerden een enorm offensief in over een front van wel 30 kilometer lengte, vanaf de rivier de Somme, tot aan bijna bij Arras. Ze waren overdonderd geweest door het hevige granaatvuur dat uren had geduurd, maar dat relatief weinig slachtoffers had gemaakt, doordat ze zo perfect ingegraven hadden gezeten.
Daarna waren de Britse soldaten uit hun loopgraven geklommen en waren ze opgemarcheerd naar hun linies. Een moordpartij was het geweest. De Tommy’s, zoals de Engelsen hun soldaten liefkozend hadden genoemd, waren met hun volle bepakking van misschien wel 30 kilo zwaar op hun rug, het niemandsland ingelopen en was een gemakkelijke prooi geworden voor de snel schietende Spandau machinegeweren die aan hun zijde stonden opgesteld. Maar ook de gewone artillerie had zich met liefde van de taak gekweten en rij naar rij werden de jonge mannen neergemaaid. Er gingen geruchten dat die eerste dag al 40.000 Britten waren gesneuveld. Keer op keer sloeg zijn regiment de aanvallen af en na bijna twee maanden vechten hadden ze slechts vijftien kilometer terrein hoeven prijsgeven. Ze waren uiteindelijk teruggetrokken op de lijn Courcelette-Martinpuich. Hoewel ze natuurlijk verliezen hadden geleden, was zijn peloton niet al te veel uitgedund. Ze waanden zich gelukkig daarmee en het moreel van de troep was goed.

Toch herinnerde hij zich niet veel meer van zijn thuiskomst. Hij wist zich niets meer te herinneren van de aankomst op het station Hildesheim, of de tocht op de tram naar huis, over de Marktplatz, langs de Andreaskerk met zijn 1115 meter hoge toren of langs de vakwerkhuisjes van de historische binnenstad. Ook zijn thuiskomst was het vreemd, Hij wist niet meer of Papa, die ‘Stadsrath’ was, nu in de deur opening gestaan had, of dat Mama een pianoles leerling had gehad en wat ze dan gegeten hadden? Ook zijn zus Clara had hij niet gezien, merkwaardig, want hij en Clara waren altijd heel dik met elkaar geweest. Vanaf hun jeugd waren ze veel met elkaar opgetrokken, maar na de dood van Herbert, de oudste van de drie kinderen, waren ze nog meer naar elkaar toegegroeid.
Herbert was al jong als cavalerist in dienst gegaan en had, zoals vele van zijn lotgenoten, vlieger geworden en was in een gevecht met een Franse machine gesneuveld, tijdens een van de eerste weken van de oorlog. Hij was toen net aan het Oostfront aangekomen toen hij het nieuws hoorde en het had wat in hem gebroken. Sinds die tijd schreven Clara en hij elkaar minstens een keer per week. Zelfs tijdens zijn bandeloze orgie had hij op een ochtend, toen zijn lijf helemaal leeg was van de nacht met Lisette, een mooie, lange brief geschreven, waarin hij zich wat cynisch beklaagde over zijn lot als arme frontsoldaat met verlof.

“Herr Leutnant,  Herr Leutnant, wakker worden, kom snel alstublieft, er is een ordonnans voor U.” Johann, de dikke Oost Friese ex-kok uit  Emden schudde hem aan zijn schouder wakker. “Wach doch mal auf, Menschl!” “Ja, ja, ik ben al wakker. Waar brand het dan man?”, nog slaapdronken zag hij zijn droom van thuis in een keer, als de bekende zeepbel uit elkaar spatten en hij wist meteen weer waar hij was.
Granaatvuur klonk, geweerschoten, het ratelen van een Spandau en, daar hoog boven uit, het iele geknetter van een explosie motor van een vliegtuig.
Het front, de Somme, september ’16, de slag die al maanden duurde.
Hij keek, nog wat slaapdronken, naar zijn oppasser en vroeg nog maar eens wat er aan de hand was. “Er staat een ordonnans voor U, buiten. Hij komt van de ‘groep’ en heeft en belangrijke boodschap voor U.” De ‘groep’ was hun benaming voor het staf hoofdkwartier dat zich een paar kilometer achter het front lag, in een helemaal stukgeschoten vlek op de kaart dat Le Sars heette en dat, voor het in een hoop puin en stenen was veranderd, al niet veel was geweest en waar de kolonel met zijn staf nu huisde in een voormalige boerenschuur, die zo veel mogelijk als het kon opgeknapt was door de pioniers compagnie van het regiment. Hij gooide de deken van zich af, wreef de slaap uit zijn ogen en stak een sigaret op. Zijn pakje Roth-Händle was zo goed als leeg zag hij. Hij maakte een mentale noot  om morgen  bij de eten brengers te vragen of ze sigaretten voor de troep mee konden brengen, de mannen zouden ook al wel door het rantsoen heen zijn.
“Een loper?”, hij gebruikte de bijnaam voor ordonnans,  “Als groep een loper stuurt dan moet het wel belangrijk zijn. Johann, zijn de telefoonlijnen nog wel in orde?”  “Alles bestens, Herr Leutnant”, die zijn vanmiddag nog getest.” Hij liep zijn in de krijtwand uitgehouwen slaap nis uit en zag de ordonnans in de loopgraaf staan. De man was in volledige bepakking, het geweer aan de schouder. Zoals het hoorde had hij de helm onder de linkerarm geklemd en hij zag dat de man een sluike, bruine haardos had, die over zijn voorhoofd viel. De ordonnans had fletse blauwe ogen en een modieus tandenborstel snorretje. Al met al maakte hij, zelfs voor een ‘Sommenkämpfer’, zoals deze veteranen zich zo graag noemden, een wat ziekelijke indruk. Hij had het IJzeren Kruis tweede klasse op de linker borst en aan zijn insignes op de schouders zag hij dat de man tot het Beierse 6e regiment behoorde. Dat was merkwaardig want dit regiment lag verder naar het zuiden, bij Peronne. De man sprong ‘model’ in de houding en meldde zich: “Gefreite Hiedler, 6e Beierse regiment, zum Befehl, Herr Leutnant.” De stem klonk wat zangeriger en een ander accent dan Beiers klonk er door. “Plaats rust, Gefreite Hiedler”, zei hij. “Als ik vragen mag, waar komt U vandaan?” “Gestatten Sie, Herr Leutnant? De naam is Hítler en ik ben geboren in Braunau, in Oostenrijk, maar ik heb voor het Duitse leger gekozen, uit bezieling voor het Groot Germaanse volk, Herr Leutnant. Een volk dat nu strijd levert voor een Groot Duits Rijk, onder de bezieling van de Kaiser om zo Europa te redden van het Joodse vraagstuk.” De man, die niet al te groot was, leek onder het uitspreken van die woorden haast te groeien. Hij had niet zo veel behoefte aan een gesprek over het Groot Germaanse volk, waarvan de jeugd volgens hem lag dood te bloeden vanaf de Noordzeekust tot voorbij Verdun, en hij begreep de uitspraak over het Joodse vraagstuk al helemaal niet, maar hij had ook geen zin om daar met deze wat aparte Oostenrijker daarover in discussie te gaan.
“Het is goed, man, wat brengt je hier?” “Ik was op het staf hoofdkwartier van Uw regiment om bijzondere berichten te brengen, Herr Leutnant, en op de terugweg vroeg men mij deze orders bij U te brengen. Uw regiment heeft schijnbaar niet al te veel ‘lopers’ meer.” Hierbij overhandigde hij hem een verzegelde enveloppe. Hij bedankte de korporaal en tekende voor ontvangst. De man verdween. Maar niet uit zijn leven.
Hij liep naar buiten waar het licht nu eenmaal beter was. Hij verbrak de zegels en opende de envelop.
Hij las de gebruikelijke aanhef en las snel door naar de eigenlijke inhoud.
Verrek, nou, dacht hij, wat is dit? “Bevordering tot Hauptmann met onmiddellijke ingang en bevel over 7e compagnie IIIe Bataljon 73e regiment fuseliers, ingedeeld bij het Eerste leger onder bevel van Oberst General Von Fabeck. Ingaande op de 7e september 1916, gedaan te, enzovoort, enzovoort.” Dat was morgen trouwens al. Hij ging naar zijn compagnies commandant en liet de orders zien. “Nou, zo zal het zijn, mijn jongen”, zei die kapitein. “Gefeliciteerd met je bevordering en succes. Ik zorg voor het verdere papierwerk. Hou je taai verder. Je bent een bekwaam officier en ik denk dat je het wel gaat redden.”
Die nacht nam hij afscheid van zijn ‘ratten’ zoals hij ze liefkozend noemde, ouwe mannen nu al, sommigen net negentien, en vaak nog baardeloos, maar veteranen van vele slagen en gehard in hun wereld. Ze hadden hun onschuld en hun jeugd al lang verloren en keken hol en grauw uit hun ogen. Die avond bezatte hij zich.

De volgende morgen pakte hij met een zwaar hoofd zijn weinige bezittingen en uitrustingstukken in zijn knapzak en zijn plunjebaal, sloot deze laatste af met een hangslot en een beugel en liet die onder de hoede van Johann achter die zorg zou dragen voor transport naar zijn volgende post. Zijn trouwe oppasser had tranen on zijn ogen toen ze elkaar een mannelijke hand gaven. “Wie weet Johann, zien we elkaar gauw weer terug. Maar zeker na de oorlog, dan zien we elkaar weer, beloofd?”
Het derde bataljon lag een paar kilometer noordelijker en het hoofdkwartier lag in Bapaume.
Nadat hij zich gemeld had bij de adjudant onderofficier, ‘de vader van het bataljon’, had deze goedmoedige beroeps onderofficier hem bij de overste die bataljonscommandant was naar binnen gebracht. Overste Lutze had hem een stevige linkerhand gegeven, “de rechter ligt in de modder van Ieper, mijn jongen”, en had hem verteld dat de zevende nogal wat verliezen had geleden bij een tegenaanval om een door de Brit ingenomen loopgraaf. De compie’s commandant, een oudere reserve majoor, was hierbij gesneuveld en het had Lutze goed geleken om hem de bevordering en het commando over de compagnie te geven. De zevende betrok een stelling aan beide zijden van de weg tussen Longueval en Flers, met het Bos van Delville in hun voorterrein.
Zijn compagnie had toevallig een week rust, na twee weken in de loopgraven doorgebracht te hebben. Daar trof hij zijn mannen aan, tijdelijk onder het bevel van zijn tweede man, een luitenant die hij vaag kende. Deze vertelde hem dat, hoewel ze behoorlijk  veel verliezen hadden geleden, de moraal van de troep nog ongebroken was.
Hij zocht ze op. De mannen hadden wat oude gebouwtjes in Flers, een verder kaal en stukgeschoten dorp, betrokken en rookten en lagen in het gras en genoten van het mooie nazomerweer. Een paar groepen speelden kaart, er werd gevoetbald, de onderofficieren hadden een eigen verblijf in elkaar gezeten hadden daarin een bar getimmerd. Er werd gelachen, er was de niet te missen soldaat die mondharmonica speelde en alles ademde de sfeer uit van een compagnie die net uit de loopgraven kwam. De meesten jongens, want hoewel hij nauwelijks ouder was dan hen, en vaak jonger dan de onderofficieren, beschouwde hij zijn troep al gauw als zijn jongens, gebruikten hun rusttijd om zich te laten knippen en scheren,  hun kleding te herstellen en te vervangen en voornamelijk door veel te rusten. Hiermee gaven ze blijk dat ze echte veteranen waren want de oude soldaten zegswijze luidde immers: ‘Rust wanneer je rusten kan, eet wanneer je eten kan’.
Hij sprak met zijn officieren en met Schmidt, de sergeant majoor van de compagnie en later, apart, met de onderofficieren en kreeg zo een aardige indruk van zijn commando.
Er waren goede en slechte soldaten, er waren de slimmeriken en de dommen, de gewieksten en de naïevelingen, de voorzichtige en de doldrieste, de werkers en de lijntrekkers, kortom, een doorsnee compagnie van een willekeurig doorsnee leger.
De rest van de week ging heen met oefeningen en exercitie.
Vrijdag de twaalfde september was het weer tijd om de tweede compagnie af te lossen en die ochtend om drie uur was het reveille. De mannen ontbeten en scheerden en wasten zich voorlopig voor de laatste keer uitgebreid, want ‘vooraan’, zoals ze het noemden, zou er weinig van kunnen komen. Om vier uur liet hij appèl houden. Nadat een ieder correct en present was afgemeld door sergeant majoor Schmidt, schouderden de mannen hun dertig kilo zware bepakking en hun wapen en zo marcheerde de 7e compagnie op naar de achterste linies, om zo de voorste loopgraven te bereiken. Hij liet de mannen ‘vrij in het gelid’ lopen. Zijn ervaring van het in strakke formatie oprukken of opmarcheren was dat ze zodoende een niet te missen prooi konden zijn voor ‘Feindflieger’. Hoewel het nog behoorlijk donker was, wist hij dat de Britse vliegeniers bij het aanbreken van de dag al over de linies vlogen om zo troepenverplaatsingen te observeren en eventueel te beschieten. Ook droegen die Sopwith’s en Avro’s vaak bommen aan boord. Dat die misschien wel niet zoveel kracht hadden zou wel zo zijn, maar hij nam liever geen enkel risico en wilde het leven van zijn jongens niet nodeloos in gevaar brengen. Dat zou in de twee weken frontdienst vaak genoeg gebeuren.  Het regende, zoals al de hele maand september, onafgebroken. Het door granaten omwoelde veld lag er modderig bij en onder de loodgrauwe hemel leek het landschap nog mistroostiger dan het al was. Ze kwamen via de ondersteuningslinie, waar de compagnies verbandplaats was gevestigd en door de verbindingsloopgraaf in de voorste linie. Zijn mannen werden door de af te lossen manschappen op de bekende soldaten manier begroet: “Zo luie zwijnen van de zevende, mietjes! Konden jullie de hoeren zo maar loslaten? Is er nog wat te naaien voor ons of hebben jullie al die wijven al met syfilis besmet?” “Het is hier Frontdienst hoor, dus jullie kunnen je slippers in je rugzak laten zitten! Nou, dan gaan wij naar achteren en zullen we die Franse snollen eens laten zien wat echte kerels zijn!” “Helmutt, weet jij het verschil tussen de zevende compie en een half voetbalveld?  Nou, een half voetbalveld heeft een doel!” en meer van dat soort fraais werd geroepen.
Hij lachte. Soldaten humor. Altijd to the point. Maar ook zijn mannen deden niet onder voor de soldaten van de tweede. “Jungs, hoor eens, wat is het verschil tussen circus Renz en de tweede compagnie? Het circus Renz heeft alle tenten, maar de tweede heeft alle clowns.” “Du Franz”, riep Gefreite Jurgen, die de lolbroek van de troep was, “heb je het al gehoord? De tweede compagnie is apart uitgezocht door de selectie commissie.” “Wie so dass denn?” was de weder vraag van Franz. “Nou, in de tweede compagnie mogen de kerels geen van allen een lul hebben die langer is dan drie centimeter. Als ’t ie stijf is natuurlijk!” Gelach en gevloek en meer beledigingen van de tweede. Ze namen ondertussen hun plaatsen in en de afgeloste troep verzamelde hun spullen en onderofficieren probeerden wat rust in hun kerels te krijgen. Zijn beide luitenants deelden hun pelotons in en wisselden ervaringen uit met hun tegenhangers van de tweede. Hij zocht kapitein Henzemann op, de commandant van de tweede. Ze begroetten elkaar hartelijk. Ze kenden elkaar nog van de tijd bij Langemark en waren vrienden geworden. “Nou man, blij dat je er bent. Ik heb een reuze zin in een Franse meid en een Duitse schnaps. Het is hier voor zijn doen redelijk rustig. We hebben maar twee man verloren de afgelopen week, dus dat gaat nog. Oh ja, er zitten nieuwe tegenover ons. Volgens mijn mannen zijn het Nieuw Zeelanders. Waar ze die voor de Teufel vandaan hebben gehaald is me een raadsel, trouwens. Maar ja, die verrekte Britten met hun Empire! M’n broer is vliegenier, in de buurt van Verdun zit die, en die vertelde me dat ‘ie zwarte soldaten had gezien vanuit de lucht. Zwarten! Verdammt, kunnen die al met Europese geweren omgaan? Ik dacht dat die nog met assegaaien liepen te zwaaien. Maar, ik heb nog steeds twee luisterposten ’s avonds in de voorste lijn en die melden eigenlijk niet veel. De vierde zit links van je en er komt morgen een nieuwe compie aan je rechterhand. Dat zijn vooral jonge jongens, die zo uit de Heimat komen, trouwens, dus let goed op dat die geen stunten uithalen door op je etenhalers te schieten”, grijnsde hij wat zuur. “Maar verder is het zo stil dat er wel eens storm op til kon zijn. Nou ja, ik ze je volgende week weer en daarna ga ik met verlof naar huis.” Henzemann pakte zijn spullen en na nog een warme handdruk verliet hij zijn onderkomen dat tevens dienst deed als compagnieskantoor. Iets later betrad de compagnies sergeant majoor, Feldwebel Schmidt, de “Mutter der Kompanie’, zo geliefd bij de compie dat hij door iedereen Nonkel Paul werd genoemd, het verblijfje en liet zijn rugzak in een hoek zakken. Schmidt was met zijn zevenenderig jaar de oudste van de troep en een van de weinige beroepsmilitairen. Hij diende al in het leger vanaf zijn zestiende en had gedacht alles al eens gezien en meegemaakt te hebben. Maar ook voor hem waren de verschrikkingen van deze oorlog helemaal nieuwe.  “De schrijver komt zo, kapitein, hij is nog in de telefooncentrale om het logboek te halen. Mensch, bin ich fro dat we hier in de krijtgrond zitten en niet meer in die vervloekte modder van Vlaanderen!”
Daar was hij het helemaal mee eens. Doordat de grond hier steviger was konden de loopgraven uitgehakt worden in de bodem en was er ook de mogelijkheid om verblijven voor de manschappen aan te leggen. Ook was de afwatering beter, hoewel er nog steeds overal vlonders lagen, die voor droge voeten moesten zorgen. In Vlaanderen en vooral in het gebied rond Ieper was de grond kleiachtig en bleef het water staan. Na een paar fikse regenbuien, zoals nu in de herfst van ’16, soms wel 30 centimeter hoog. De schoenen en sokken verrotten dan aan de voeten van de soldaten in de loopgraven en dat leidde dan weer tot de zogenaamde ‘loopgraafvoeten’ waarbij de huid zo nat bleef dat er versterf optrad en soms moesten voeten worden geamputeerd. Omdat het daar op sommige plaatsen gewoonweg onmogelijk was om in de grond te graven ‘groeven’ ze maar op de grond, door borstweringen van zandzakken of kisten met aarde op te werpen. Gelukkig kwam dat soort narigheid hier aan het front een stuk minder voor. Hij wachtte tot de schrijver, die tevens zijn oppasser was, binnen was gekomen en dicteerde snel zijn orders voor de nacht. Hij kon het bijna uit zijn hoofd doen, ze verschilden niet veel van de orders die hij eerder had uitgebracht. Hij wendde zich tot Schmidt en even later liepen zij hun rondje door de loopgraafsectie aan hun toegewezen. Ze liepen de smalle gegraven gang door die hier en daar scherpe knikken maakte en in een zigzag patroon liep. Het stonk er naar dood en verderf, naar urine en uitwerpselen en bedorven voedsel en overal de stank van lijken die, half of geheel vergaan, tussen de linies in lagen in het niemandsland. Soms, tijdens rustpauzes aan het front, werden ze geborgen door speciale troepen van beide zijden. Een karwei dat niemand die mannen benijdde maar een karwei ook dat door alle strijdende partijen werd gerespecteerd en de ‘lijkenhalers’ zoals deze troepen genoemd werden, werd dan ook geen strobreed in de weg gelegd. Af en toe stapte hij op de borstwering en begroette de soldaat die daar zijn post had. De rest van de mannen genoot van de relatieve rust die momenteel heerste. Tegen de avond zou de hele club weer op hun alarmposten staan, net als bij het aanbreken van de dag trouwens. De kans op een vijandelijke aanval was het grootst op die momenten. Hij bezocht de drie in de borstwering uitgehouwen bomvrije manschapsverblijven en Schmidt en hij merkten dat de sfeer onder de mannen goed was. Er werd Skat gespeeld, hier en daar las iemand een boek, de eerste schaak competities waren al weer aan de gang en de onvermijdelijke ‘Heini’ met zijn mondharmonica speelde weemoedige deuntjes over een of andere geliefde thuis, in het land waar de bloemen bloeiden en de meisjes blond waren en blauwe ogen hadden en gewillig waren. Schmidt had hier en daar het meters dikke prikkeldraad verkend en met een grote grijns gezegd dat die ‘Engländer’ daar niet door zouden komen. “Tja”, had hij gezegd, “als die vervluchte Engländer maar geen trucje verzinnen om wel over dat draad te komen, Nonkel Paul, dan vind ik het goed.”
Af en toe gaf Schmidt, goedbedoeld, een soldaat een tik op zijn helm om hem op iets te wijzen of om iets aan zijn tenue te laten veranderen. Hij grijnsde: “Gelukkig maar dat we nu allemaal een Stalhelm hebben Nonkel, anders zat je met je helm in de punt van de Pickelhaube.” Schmidt grijnsde terug: “Blij toe, kap’tein, van die verrekte punthelmen werd je gestoord. En wat een pracht doel voor scherpschutters, warend ie krengen, man. Ik heb in Houthulst eens zes man verloren op één dag door zo’n verrekte Belgische schutter. Nee, deze helmen bevallen me beter en ze zijn niet zo verrekte zwaar ook.”
Ze maakten hun ronde af en daarna begon eigenlijk de doodsaaie routine van de loopgraven oorlog. Twee keer per dag alarm, bij zonsopgang en zonsondergang, elke vier uur aflossing van de wachten, het hoogtepunt van de dag als er om zes uur ’s avonds eten gebracht werd door de aangewezen ‘etenhalers’, ’ s machts zond hij luisterposten uit die bijna in de loopgraven van de vijand zaten, hij schreef zijn rapporten en was behoorlijk in zijn sas toen hij zijn voorstel om Nonkel Paul tot ‘Offizier-Stellvertreter’ te benoemen in goede bewoordingen had samengevat en met een loper naar het hoofdkwartier van het Bataljon had gestuurd. Dat zou Schmidt vijftig mark in de maand meer kunnen opleveren. Een Feldwebel verdiende nu rond de zestig mark en dat was, ook met de toeslagen die hij kreeg, geen echte vetpot. Alles dus routine, ja en doodsaai, zolang het front stil was. En dat was het Somme front, in elk geval hun gedeelte daarvan in deze dagen in september ’16. Maar niet lang meer.