dinsdag 15 november 2016

Een rit ter paard



5.

‘Nooit zal ik met je kunnen trouwen! Nooit! Begrijp je dan niet dat ik elke keer weer in angst zal zitten als je weggaat en weer eens een oorlog gaat voeren? Dat ik weer alle pijn en angst en verdriet zal meemaken als die ik meemaakte toen Pierre niet meer terugkwam? Ik kan dat en wil dat nooit meer. Een mens kan dat verdriet en zo een vreselijk afscheid maar een keer meemaken in zijn leven en dat is al veel teveel. Ik wil dat geen tweede keer meer meemaken! Nooit meer in mijn leven!’ Geagiteerd sprong ze op en liep in kleine stapjes voor de boomstam op en neer. ‘Begrijp me, chérie, ik ben vreselijk van je beginnen te houden, maar ik wil je naast me en niet op een of ander slagveld in God weet waar voor een raar land. Ik wil mijn leven met je delen en niet je leven met een regiment of een leger of hoe noemen jullie mannen dat soort zaken! Je bent er voor mij en niet alleen voor je soldaatje spelen!’
De tranen sprongen in haar ogen en ook hij voelde zijn ogen volschieten en een enorm brok in zijn keel. Hij sprong op en pakte haar schouders vast en draaide haar om. ‘Ik houd ook zielsveel van jou Louise, en als je met me wilt trouwen dan zal ik het soldatenleven eraan geven. Ik weet wel niet wat ik verder moet doen, veel kan ik niet, maar samen kunnen we wel een oplossing vinden. Het kasteel en de boerderij leveren wel wat geld op en ik kan misschien iets met paarden gaan doen. Daar heb ik wel verstand van namelijk.’
Hij zakte wat door zijn knieën en haalde diep adem. ‘Het is goed. Mijn besluit staat nu vast, ik ga een brief schrijven aan de maarschalk waarin ik met onmiddellijke ingang mijn commissie inlever. Ik wil verder als jouw man, mijn leven delen met jou en ja, je bent veel belangrijker dan een bataljon of een regiment!’ Het besluit was hem natuurlijk toch zwaar gevallen, maar hij had er wel al rekening mee gehouden, diep in zijn onderbewustzijn. Hij wist dat zijn geliefde niet veel op had met het soldaten leven en al helemaal niet omdat haar man, Pierre, was gesneuveld op een veld van eer, zoals men dat noemde. Toen hij bij zich zelf had besloten met haar te trouwen, in ieder geval, om haar ten huwelijk te vragen, had hij wel begrepen dat een huwelijk met een militair niets voor haar zou zijn. Niet alleen om het gevaar dat zijn beroep nu eenmaal met zich bracht, maar ook om al de verplaatsingen die een militair genoodzaakt was om te maken, van de ene vestingstad naar een andere garnizoensplaats. Hij had het gezien bij zijn oudere vakbroeders, die om de zoveel tijd met hun gezinnen naar een andere standplaats gingen, daar weer een huis in moesten in zien te richten en weer een nieuw sociaal leven moesten proberen op te bouwen en zich daar dan maar weer thuis moesten zien te gaan voelen, met hun gezin, in weer een andere stad. Dat, met het feit dat Louise Anne een volbloed Française was die vermoedelijk niet zou kunnen aarden in het stijve en formele Pruisen, hadden zijn gedachten al de kant van een ontslag op laten gaan.
Ze zuchtte diep en sloeg haar handen, gevouwen als in gebed, tegen haar borst: ‘Wil je dat voor me doen? Vraiment? Wil je echt voor mij jouw leven als huzaar en militair opgeven? Oh, mijn schat, oh wat lief! Oh, je t’ aime, je t’aime. Nu wil ik echt met je trouwen!’ Haar mond vond en zocht de zijne en een lange kus volgde. Iets later waren de paarden getuige van hun vrijpartij, die nu niet fel was, maar wel lang en teder.

Ze waren later wat ingedommeld onder een fraaie lentehemel en werden nu wakker van de paarden die begonnen te snuiven en onrustig met hun benen begonnen te kloppen. Hij omhelsde haar nog maar eens en betastte nog eens haar soepele lijf dat nog nagloeide van de passie van daarvoor. Ze werd nu pas echt wakker en keek met een stralende glimlach op, zoals alleen een vrouw die net een volledig bevredigend orgasme heeft beleefd, en op de laatste golven daarvan meedrijft, kan kijken. Hij zoende haar teder in haar hals en op haar mond en iets later maakten ze zich los uit de omhelzing. Hij keek naar de lucht en naar de nu wel heel onrustige paarden. ‘Laten we maar snel naar huis gaan’, zei hij, ‘ik voel dat er onweer nadert.’ En inderdaad, vanuit het zuidwesten kwam een vaal-grijze lucht langzaam dichterbij. Ze kleedden zich giechelend en wat lacherrig aan, terwijl ze elkaar af en toe vast pakken en streelden, maar uiteindelijk hielp hij haar in het zadel. Ze gaven hun paarden de sporen, maar plots bedacht hij zich. Hij keerde terug, pakte zijn zakmes en kerfde haar en zijn initialen in de gevallen boomstam waarbij ze net hun bevestigende vrijpartij hadden gehad. Het mes schoot evenwel uit op een knoest van de boom en het mes gleed gevaarlijk af en hij stak zich in de handpalm van zijn rechter hand. Het bloedde even heel hevig en hij kon een kreet van pijn niet weerhouden. Louise reikte naar zijn hand, zoog het bloed van de wond en gaf hem haar roze zakdoekje dat ze uit een mouw van haar jasje haalde en drukte de wond dicht. Hij klemde het doekje stevig in de palm van zijn hand en steeg, een beetje boos op zichzelf om zijn onhandigheid, ook op. Langzaam reden ze terug door de velden waar het graan al hoog stond terug naar het dorp. Onderweg dacht hij nog eens na over zijn besluit en voelde dat het de juiste was.
Zij hield haar paard iets in en vroeg: ‘Liefste, je hebt me zo weinig verteld over je tijd in het leger. Wil je me niet iets vertellen over al je soldaten avonturen?’ Hij lachte naar haar. ‘Ja, natuurlijk. Graag zelfs. Dan krijg je misschien een iets beter beeld van de man waar je mee gaat trouwen. Maar goed. Om te beginnen is daar natuurlijk Blücher, de Maarschalk, maar ook de Vorst van Wahlstatt. Een groot man, na Napoleon wel misschien de grootste tacticus die ik ken. Minstens zo groot als Wellington, dat is zeker. Blücher ging, hoewel hij al een hoge militair was, altijd voor in de slag. Omdat hij zo offensief was, hij wilde altijd aanvallen, noemden wij hem ‘Maarschalk Voorwaarts’. Er wordt wel eens gezegd dat hij zijn soldaten aanvoerde door tegen ze te schreeuwen: “Honden willen jullie dan eeuwig leven?” Ik weet niet of dat waar is, maar het zou me niets verwonderen, van die man.’
Hij grinnikte nog even toen hij aan de aanblik van de besnorde ijzervreter dacht. ‘Tja, en verder ging het allemaal behoorlijk mis. In Waterloo, dan bedoel ik. Bij Ligny, dat was aan de vooravond van Waterloo, werden we bijna in de pan gehakt door Vandamme. Ja een Vlaamse naam, maar hij was echt in dienst van de keizer. We lagen met het eerste legerkorps aan beidde zijden van de kreek van Ligny, een dorpje van niets, net als Flers, overigens en ik had met mijn eskadron een voorpost bij St. Amand. Daar werden we uit verdreven door het tweede korps van generaal Girard. We verloren overigens wel twee en een half duizend man. De zaak zag er toen helemaal slecht uit, vooral toen ook nog eens het eerste korps van Napoleon zich in de strijd wilde mengen, maar dat trok zich, vreemd genoeg, terug.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten