zondag 30 oktober 2016

Het verdwenen kasteel (2)



2

De zondag was, nadat de wacht afgelost was en de kerels hadden gegeten, zoals altijd, begonnen met een inspectieronde door hem en Nonkel Paul en er viel niet al te veel op te merken. Zijn compagnie was er een van oude doorknede kerels die hun zaakjes goed voor elkaar en hun wapens schoon en tot vuren gereed hadden. De vier lichte machinegeweren in zijn compie liet hij echter toch beter een andere plek innemen, waar ze effectiever vuur zouden kunnen leveren. De rest van die dag bracht hij door met luieren, roken, lezen en het schrijven van brieven aan vrienden en familie en rond half tien die avond sliep hij ontspannen in. Om twee uur ’s nachts schrok hij wakker van een hoge fluittoon, na een tel later gevolgd door een enorme knal. “Verdomme”, riep Nonkel Paul, die ook in zijn, in de heuvel uitgegraven verblijf sliep. Als oude rot aan het front was die natuurlijk meteen wakker en alert. ‘Die verrekte Tommy’s beginnen midden in de nacht een beschieting. Dat wordt een grote aanval. Godverdomme!’ Het alarm klonk meteen, gegeven door een van de luitenants die op post stond en de mannen die vrij van wacht waren bezetten in allerhaast hun aangewezen posten, ondertussen hun wapens doorladend. Het vuur van de vijandelijke kanonnen lag vooral hoog en viel daardoor dus voornamelijk achter hun linies. Dat gaf in die omgeving vooral een hoop gekanker onder de zogenaamde ‘ouwere’ mannen, die overigens ook pas rond de twintig jaar oud waren, omdat die hun tijdelijke behuizing, die ze zelf hadden mee op hadden helpen bouwen, door dat bombardement in vlammen op zagen gaan.
‘En net nou die verrekte syfilislijders van de tweede er uit zijn, scheiss nog mahl’, kankerde een oudere korporaal. ‘Nu hebben die eikels godsamme een paar weken rust gehad achter de linie en dan hebben wij weer stront, natuurlijk.’ De beschieting was behoorlijk intensief maar wel niet echt effectief, in hun loopgraven niet in ieder geval.
Een heel enkele  granaat trof echter wel zijn ndoel en er sneuvelden ondertussen wel twee van zijn mensen. Hij liet, op de paar wachtposten na, iedereen terug trekken in een paar bomvrije uitgegraven ruimtes, die een meter of drie lager lag dan de eigenlijke loopgraaf en hij bleef zelf tussen de verblijven rondlopen en zijn mannen zoveel mogelijk toe spreken. Niet dat die kerels in paniek raakten, ze waren al te vaak beschoten om echt bang te zijn, maar hij wist uit ervaring dat zijn aanwezigheid een rustgevend gevoel gaf bij ‘der Jungs’ zoals Nonkel zijn soldaten noemde. Het bombardement duurde twee uur en toen daalde een haast weldadige stilte over hen neer. Meteen was elke soldaat nu volledig op zijn hoede en gealarmeerd. Want als de artilleriebeschieting ophield, dan begon de aanval van de vijand, dat wisten ze allemaal. Iedereen nam zijn plaatsen op het vuur banket in en richtte de doorgeladen wapens naar het niemandsland, waarvandaan de vijand zou komen. ‘Op mijn teken’, brulde hij. ‘Wacht tot je ze ziet en ze dicht genoeg bij zijn! Verspil geen kogel!’
Nu brak van hun zijde de hel los. Machinegeweren en Mausers, Lügers en lichte mitrailleurs, alles vuurde met indrukwekkende snelheid op de naderende vijand, die als grauwe schimmen uit de ochtendnevel die dicht op het land lag, opdook. Het werd een slachting. Rij na rij vielen de Britse of Nieuw-Zeelandse manschappen onder het geconcentreerde vuur uit hun loopgraven. Maar, met zijn geschoolde oor voor alle geluiden die op gevaar konden duiden aan het front, hoorde hij nog iets anders damn het trommelviiur. Iets dat hij niet gauw kon plaatsen. Iets mechanisch, leek het wel, een soort diepe brom toon, een geratel, een aard toon die langzaam luider werd. Voorzichtig stak hij zijn hoofd boven de vuurddekking uit. Hij schrok! In de nu glooiende schemering zag hij opeens een paar stalen monsters opduiken. Hij greep zijn kijker en richtte die op het dichtstbijzijnde monster. Wat is dit? schoot door hem heen. Wat is dit voor de donder, dit heb ik nog nooit gezien. Een veldwagen, een veldkombuis? Nee, natuurlijk, dat zijn verdomme nog aan toe vuurmonden!  In de vergroting van zijn ‘Zeiss’ zag hij een vierkant front van grijs staal dat zich duikend en stijgend over de pokdalige grond voortbewoog, aangedreven door een soort, ja, wat was het, een soort van kettingen, leek het wel. Hij zag een, in zwarte verf geschilderd nummer, op de flank van een van de mechanische wapens, die links van het op hem aankoersende voertuig reed. D 16 was het nummer, maar wat betekende dat? Het meeste deed het ding, nu ja, die dingen, hem denken aan de primitieve tractoren die, aan het eind van de zomer, de dorsmachines voortsleepten van boerderij naar boerderij als het koren gemaaid was, maar deze waren dan wel een heel stuk dodelijker. Aan beide zijden van de machine waren geschutskoepels aangebracht, zoals hij ze bij de slagschepen in de marinehaven van Kiel wel eens had gezien. Die koepels spogen ondertussen vuur en dood en verderf. Zijn eerste reactie was die van blinde angst voor deze helse uitvindingen en hij wilde zich in veiligheid brengen. Naar achteren, dacht hij, weg hier, weg, vlucht, ga naar de veiligheid van de achterste linies.
Ook aan de hapering van het vuren van zijn manschappen merkte hij dat die geschrokken en bang waren. Hij gleed al van zijn vuursteun en wilde zijn wapen wegsteken, toen Nonkel Paul om de hoek van de loopgraaf verscheen. ‘Scheisse mensch, wat zijn dat voor zaken?’ brulde de “Spiess”. ‘Ik weet het niet Nonkel, maar ik weet wel, dat we weg moeten. Trek de secties één voor één terug naar achteren. Bel HK dat we terugvallen op de lijn voor Flers. Ik blijf met de MG’s tot jullie weg zijn en kom je dan na, maar snel, man, snel.’
Hij keek weer naar voren en zag een derde en een vierde monster opdoemen uit de allengs lichter wordende achtergrond. Terwijl Schmidt zijn orders brulde naar de pelotonscommandanten en naar de sectie-onderofficieren rende hij gebukt naar de plek waar hij de lichte machinegeweren had geconcentreerd. ‘Vlug Jungs, concentreer je vuur op de voorste van die dingen. Met een beetje mazzel houden we ze tegen. Concentreer je op de vuurmonden, daar kun je misschien treffers plaatsen.’ De mannen keken hem stomverbaasd aan en de vragen over wat dat dan wel voor onheils machines konden zijn, waren niet van de lucht, maar hij onderbrak elke vraag. ‘Vuren, manne, vuren, onze levens hangen er van af.’
Grimmig deden de schutter en hun helpers wat hun was opgedragen en een hels vuur barste meteen los op de voorste van de brullende en stinkende monsters. En met succes, want na een minuut of twee geconcentreerd vuur en waarschijnlijk verschillende treffers in de schietgaten, trok de machine naar links en tuimelde op zijn zij in een granaattrechter. De manschappen joelden en juichten en ook hij kon een gevoel van euforie niet bedwingen en joelde mee met zijn mannen. Maar de vreugde was van korte duur. Want uit de nevels en de regen meer en meer van de moordmachines op, vuurspuwend uit de lopen van hun kanonnen en machinegeweren. Nog eenmaal raaakte de MG sectie een voertuig en ook dat bleef staan in de modder. Waarschijnlijk hadden de schiutters munitie geraakt, want met een daverende knal ontplofte er iets in het binnenste van de, ja van de wat? In ieder geval werden brokken staal en zo te zien lichaamsdelen, meters hoog en ver geslingerd en hij hoorde het krijsen van stukken staal die vlak over zijn hoofd werden geslingerd.
Ondertussen geschiedde de terugtocht gedisciplineerd, hoewel het Duitse leger niet gewend was om zich terug te trekken. Geweergroep na geweergroep ging naar achteren, ging daar dan in dekking en zorgde, door geconcentreerd vuur uit te brengen, dat de andere groep vervolgens naar achteren kon trekken. Ook hij verliet als laatste zijn post met zijn machinegeweer groepen. Na een half uur waren ze in de achterste linie gekomen en besloot hij meteen appel te houden. Iets later meldden de pelotons commandanten de verliezen. In totaal waren er 13 man dood of vermist. Een paar gewonden waren ondertussen al afgevoerd naar de verbandpost waar de arts en zijn sani soldaten zich over hen ontfermden. Hij had al bevel gegeven om vuursteun aan te vragen en de veldartillerie liet niet lang op zich wachten, maar hun vuur lag niet goed. Zelf had hij ondertussen ‘Bataljon’ aan de telefoon gehad. Gelukkig deden de verbindingen het nog. Maar ‘Bataljon’ wist ook niet veel meer mee te delen dan dat hij deze positie tot het uiterste moest houden. Op zijn rapport over de grote stalen landslagschepen, zoals hij de gevaartes uiteinddelijk maar noemde, kwam een vaag verhaal waaruit bleek dat de leiding er ook niet veel van wist. Hij maakte een snelle potloodschets van die wapens in zijn zakboekje, trok de pagina eruit en en stuurde die door een loper naar het hoofdkwartier in Bapaume, maar voorlopig verwachtte hij geen antwoord terug. De situatie werd er niet beter op, want de Britten, gesteund door de krijgsmachines, waren in een winnaarsstemming en rukten snel en fel op. Hij nam toch nog maar eens contact op met de staf en liet aan de kolonel vertellen dat hij zich definitief terug wilde trekken op Flers. Hij kreeg uiteindelijk dan toch toestemming met de mededeling om dat dorpje kostte wat het kostte te behouden. Gebruik makend van een rustigere periode, trok de compagnie terug op het vernielde plaatsje en groef zich in, aan beide zijden van de Rue Principale, de doorgaande weg van Combles naar Bapaume. De Impasse Pauline, een doodlopend straatje dat vlak voor het minidorpje liep, leidde naar de begroeide heuvel waar een ooit trots kasteel stond, maar dat nu een ruïne was, waarvan de restanten van muren en een stuk van de slotgracht nog herkenbaar waren. Hier vond een loper van het hoofdkwartier hen. Het bevel luidde: “Hergroeperen en een tegenaanval zo snel als gereed en zodra de reserves waren aangetreden”.
Er zou dus een reserve divisie in het veld worden gestuurd, maar die kon pas hoogstens over zes uur hier zijn. Tot die tijd: “Standhouden en ingraven”. Ze hadden nauwelijks hun nieuwe stellingen zo goed en kwaad als het ging betrokken tot ze weer het enorme gedreun van de rijdende slagschepen hoorden. Vier van die monsters rukten nu op en weer trokken ze zich terug. Rond de middag lagen ze ondertussen al achter Flers in een zompig weiland. Ze lagen nu achter de vijandelijke linie, bleek. De grote machines waren hen voorbij gerold en hadden zijn troep niet opgemerkt. Veel gevechtsmachines waren er ook niet meer, overigens. Vaak waren ze in loopgraven of granaat trechters blijven steken, begrepen ze.
Verdere verliezen had de zevende niet meer geleden en er was nu even tijd om iets te eten. Dat de sfeer weer goed was, of dat de nood hoog was, bleek wel weer uit allerlei flauwe grappen die de ronde deden. Als de nood hoog is, was het in de zevende compie tijd om witzen te vertellen. Vooral flauwe witzen. Jurgen vertelde een mop. ‘Mann, oh mann, ik was gisteren op ziekenappel, komen net twee officieren de tent uit. Zegt die ene luitenant tegen de andere: “Nou, die sjankermonteur snapt er ook geen moer meer van. Ik kom bij hem, hij onderzoekt me en zegt dat ik een tennisarm heb. Ik zeg, maar man, ik heb nog nooit getennist. Zegt die andere officier: “Ja en tegen mij zegt ‘ie dat ik een geslachtsziekte heb, maar ik heb nog nooit geslacht.”’ Er was hilariteit alom. Hij moest zelf ook grijnzen maar toch wat nijdig op zichzelf door zijn schrik reactie en zijn angst voor de stelen monsters rukte hij een blik noodrantsoen open en zette zijn blikken lepel in de maaltijd die uit “Schweinefleisch mit Nudeln” bestond en die volgens de fabrikant meteen energie terug bracht in uitgeputte lijven. Nou, dat had hij wel nodig, een beetje energie. Hij was uitgeput na zo’n dag vechten en terugtrekken. Schmidt, die langs zijn ‘Jungs’ was geweest en hen had bevolen om te rusten en te eten en hun uitrusting te herstellen, liet zich naast hem neerploffen en trok ook een blik open. ‘Is het je opgevallen, kap’tein, dat we geen Tommy’s zien? Na die machines zou je verwachten dat die wel er direct achter aan zouden komen rennen, maar ik zie geen moer. Ik hoor ze ook niet en het schieten is een stuk minder, toch?’  Dat viel hem nu ook opeens op. Haastig schrokte hij zijn blik leeg, nam nog een haastige slok uit zijn veldfles en greep zijn kijker. ‘Kom op, Nonkel, we gaan op verkenning uit! Hansema, blijf hier wij gaan verkennen. Wees scherp maar kijk uit voor als we terug komen. ‘Bayern’ is ons wachtwoord, hebben?’  Hansema knikte en samen met de Feldwebel sloop hij via allerlei natuurlijke hindernissen terug naar Flers. Ze deden zo omzichtig mogelijk want de kans om door de vijand alsnog beschoten te worden was heel erg groot. Af en toe keek hij door zijn kijker om te zien hoe de troepenconcentratie van de Tommy’s was. Hoe dichter ze het dorpje naderden, hoe duidelijker het werd dat de vijand geen georganiseerde doorstoot van plan was te maken of kon maken, misschien zelf verrast door het succes van de machines. Ze trokken gezamenlijk heimelijk op naar de ruïne van het kasteeltje, of het slot en hoorden duidelijk stemmen. Er werd door minstens twee man Engels gesproken en hoewel hij de taal beheerste kon hij niet volgen wat er gezegd werd. Hij nam zijn wapen in zijn hand en beduide Schmidt met een handgebaar om het zelfde te doen. Na een paar minuten waren ze dermate dichtbij de sprekende mannen gekomen dat hij het gesprek kon volgen. De mannen, hij hoorde twee stemmen, zaten achter een muurtje dat vroeger mischien tot een koetshuis of zo van het kasteel had behoord, maar nu bijna helemaal afgebroken en verweerd was.
‘No more bloody officers around’, verstond hij, ‘what now eh?’ De spreker had een accent dat met een bajonet te snijden was en zijn toon was klagerig. ‘But I’m an officer dear chap’, zei een tweede meer gecultiveerde stem. “Yeah, but you’re an bloody signals loewie, mate, not a fucking real fucking lines officer. We need to know whotter we got ter do, see, attack them fucking Jerry’s or what, eh? So let’s see what your bloody signalsman comes up wif, if there’s really a bloody officer coming down from HQ or what.’
Hij had genoeg gehoord nu. Het bleek dat de Engelsen bij hun aanval zo goed als al hun officieren hadden verloren en dat ze nu niet meer wisten wat ze moesten doen. Hij vermoedde dat de eerste spreker een soldaat of misschien een onderofficier was en dat de tweede man een verbindingsofficier was, die natuurlijk weinig veld ervaring had. Vandaar dus het uitblijven van de stoot naar voren. Dit gesprek, dat hij afluisterde, bleek dus een gedroomde kans voor de tegenaanval. Als de vijand geen leiding meer kon krijgen, doordat hun leiders er niet meer waren, kon zijn compie, sman met de reserve divisie een tegenaanval voorbereiden en uitvoeren. Hij werd opgetogen en kneep Nonkel in zijn arm. Die had hetr verhaal niet meegekregen, zijn Engels was niet goed genoeg, maar hij vertrouwde helemaal op zijn jonge commandant. Ze besloten niet langer te wachten, sprongen over het lage muurtje heen en zag de twee Engels sprekend mannen tegen een brok muur restant geleund zitten, veldflessen in de ene hand, sigaretten in de andere. Hun gezichten en handen waren besmeurd met roet en kruitslijm en hun tunieken waren gescheurd en bemodderd. De oudste van de twee was, aan de chevrons op zijn mouw te zien, inderdaad een sergeant en de tweede man had de ‘pip’ van tweede luitenant op zijn schouders. ‘Hande hoch, jullie zijn mijn gevangenen! My prisoners!’ schreeuwde hij en duidde met zijn Lüger. Ook Nonkel Paul had zijn wapen op hen gericht. De sergeant vloekte en greep zijn Lee Enfield. Een korte vuurstoot uit de Mauser van Schmidt sloeg hem tegen de vlakte. De officier stak zijn handen omhoog en hij beduidde hem te gaan staan. De man was halverwege de twintig en had bruin en opzij gekamd haar. Hij droeg een kleine snor en had regelmatige gelaatstrekken en  heldere blauwe ogen waarin een intelligente blik lag. Hij keek ontdaan en geschrooken maar had ook iets flegmatischs in zijn blik.
Schmidt ontwapende de luitenant, voelde aan de halsslagader van de onderofficier en gaf een korte knik met zijn hoofd. De man was duidelijk dood.
Iets later liepen ze gebukt terug naar hun eigen linies, de Engelse officier tussen hen in. Na het roepen van het wachtwoord kwamen ze in hun voorlopige stellingen terug. Hij gaf een koerier opdracht om aan het hoofdkwartier te melden dat in een afgeluisterd gesprek was gebleken dat er nauwelijks meer officieren bij de vijand in leven waren en dat dit het moment voor een tegenstoot zou kunnen zijn. Daarna nam hij de gevngen genomen officier apart en vroeg de man naar de aanwezigheid van hun troepen en hun locatie. De man herhaalde alleen zijn naam  en serienummer. ‘Ik ben tweede luitenant John Ruben Tolkien, serial number E1298564, verbindings officier Lancashire Fusiliers.’ Veel meer hoefde de man ook niet te vertellen volgens de wet op de krijgsgevangenen, de wet van Geneve. In afwachting van het transport dat de Engelsman ver achter de linies zou brengen, raakten ze kort in gesprek. Een beetje grimmig merkte de Engelsman op dat zijn naam, Tolkien, een verbastering was van het Duitse woord  “Tollkühn” en dat zijn familie van oorsprong uit Saksen kwam, maar dat hij zich nu helemaal niet Tollkühn oftewel‘overmoedig voelde’. Ook vertelde hij dat hij les gaf in Oxford, dat hij wilde gaan schrijven en van een reis die hij naar Zwitserland had gemaakt. Verder vertelde hij dat hij gedichten schreef en dat hij net getrouwd was. Hij miste zijn vrouw, Edith, vreselijk, zuchtte hij en vroeg of zijn collega officier ook het genot van het huwelijk kende. Hij zuchtte ook en vertelde dat hij nog niet de ware was tegengekomen. Na een tijd kwam het gesprek op boeken en verhalen en het bleek dat ze veel van dezelfde schrijvers hielden.
Bataljon had nog steeds niet gereageerd op zijn bericht en ook de Feldpolizei. die luitenant Tolkien moesten afvoeren. kwamen niet opdagen.
Het gesprek verliep verder zo geanimeerd en vrolijk dat er, na een half uur al, een soort vriendschap ontstond en hij vond dat hij de jonge luitenant niet naar de krijgsgevangenkampen kon laten afvoeren. Op een bepaald moment nam hij Tolkien apart en zei hem dat ook. ‘Luister John, binnenkort gaan we een tegenaanval opzetten. Dat begint altijd als een heleboel chaos. Ik zal niet op je kunnen letten op die momenten. Over een paar minuten zal je misschien worden afgevoerd naar de achterste linies. Ik vind het vreselijk om je de rest van de oorlog in krijgsgevangenschap te zien, dat begrijp je, neem ik aan? Ja, ik moet wat dingen doen, voor de Feldpolizei er is. Ik geloof dat ik me zo even omdraai om de stafkaart te bekijken en dat de Feldwebel bezig is om de manschappen te inspecteren, versta je? Und wer weiss, nach dem Krieg?’
Hij draaide zich om, bukte naar zijn kaartentas en keek na een minuut of wat weer op. Tolkien leek verdwenen alsof hij onzichtbaar was geworden. Het laatste dat hij van hem zag was een gebogen gestalte die van terreingesteldheid naar terreingesteldheid sloop. Nonkel Paul kwam terug van een snelle inspectie van de mannen. ‘Is het niet gevaarlijk kap’tein, dat je hem hebt laten gaan? Misschien verraad hij ons plan voor de tegenaanval?’ Hij stelde de ‘Spiess’ gerust. Tolkien zou zijn gezicht wel houden. Bovendien was hij waarschijnlijk net in zijn eigen linie op het moment dat zij de aanval zouden inzetten.

Een half uur later had de reserve divisie zich bij hun gevoegd en had hij zijn verslag van de verkenning van het terrein aan de majoor, bij wiens bataljon zijn compagnie tijdelijk werd ingedeeld, gedaan. Hij vertelde uitgebreid zijn verhaal over de stalen monsters en de majoor, Rommel heette hij, knikte. Ja, daar had hij van gehoord. In Courcelette, een paar kilometer naar het westen, waren ook nog eens twee van die monsters uitgeschakeld door de veldartillerie en de bemanningen waren gevangen genomen. Uit verhoren hadden ze verteld dat het een nieuwe Engelse vinding was die vandaag voor het eerst werd ingezet om de Duitse stellingen te doorbreken en dat het wapen in de ontwikkeling stage ‘tank’ werd genoemd om zo de inlichtingendiensten op een dwaalspoor te brengen. Die moesten dan denken dat het om een soort water- of brandstof tank zou gaan.
Hij meldde zich weer bij zijn troep en door hetzelfde terrein sluipend waar hij die ochtend met Schmidt al was geweest, bereikten ze de tijdelijke stelling van de Britten. Het was ondertussen wat droger geworden maar, hoewel het pas tegen drieën was, leek het al schemerig door de laaghangende wolken die het Franse land nog grauwer maakte dan het al was. Commando’s klonken en de mannen sprongen op, vuurden met hun Mausers en maakten zo een overweldigende indruk dat de tegenstander, die nu alleen een paar lagere onderofficieren als leiding had, na een paar minuten in volle terugtocht was. Hij rende voor zijn mannen uit, ondertussen zijn wapen herladend en zo bereikte hij de ruïne van het oude Chateau de Flers. Hij keek snel rond en zag dat hij vel te ver voor de compie was uitgerend. Hij gaf een armsignaal dat “op mij verzamelen” betekende, maar wist niet of zijn mannen hem konden zien. Hij bereikte de oude slot muur en sprong, bijna bij hetzelfde plekje waar ze Tolkien hadden gevangen genomen, over het muurtje. Hij landde op beide voeten en wilde een moment wachten om te zien of zijn kerels zich bij hem zouden aansluiten. Met bevende handen en hijgende ademhaling trok hij een pakje sigaretten tevoorschijn, stak op en inhaleerde diep. ‘Not so clever, Hun’, was het laatste wat hij hoorde voor een verlammende pijn in zijn rechter arm hem het bewustzijn deed verliezen.







Geen opmerkingen:

Een reactie posten