2
De zondag was, nadat
de wacht afgelost was en de kerels hadden gegeten, zoals altijd, begonnen met
een inspectieronde door hem en Nonkel Paul en er viel niet al te veel op te
merken. Zijn compagnie was er een van oude doorknede kerels die hun zaakjes
goed voor elkaar en hun wapens schoon en tot vuren gereed hadden. De vier
lichte machinegeweren in zijn compie liet hij echter toch beter een andere plek
innemen, waar ze effectiever vuur zouden kunnen leveren. De rest van die dag
bracht hij door met luieren, roken, lezen en het schrijven van brieven aan
vrienden en familie en rond half tien die avond sliep hij ontspannen in. Om
twee uur ’s nachts schrok hij wakker van een hoge fluittoon, na een tel later
gevolgd door een enorme knal. “Verdomme”, riep Nonkel Paul, die ook in zijn, in
de heuvel uitgegraven verblijf sliep. Als oude rot aan het front was die
natuurlijk meteen wakker en alert. ‘Die verrekte Tommy’s beginnen midden in de
nacht een beschieting. Dat wordt een grote aanval. Godverdomme!’ Het alarm
klonk meteen, gegeven door een van de luitenants die op post stond en de mannen
die vrij van wacht waren bezetten in allerhaast hun aangewezen posten,
ondertussen hun wapens doorladend. Het vuur van de vijandelijke kanonnen lag vooral
hoog en viel daardoor dus voornamelijk achter hun linies. Dat gaf in die
omgeving vooral een hoop gekanker onder de zogenaamde ‘ouwere’ mannen, die
overigens ook pas rond de twintig jaar oud waren, omdat die hun tijdelijke
behuizing, die ze zelf hadden mee op hadden helpen bouwen, door dat
bombardement in vlammen op zagen gaan.
‘En net nou die
verrekte syfilislijders van de tweede er uit zijn, scheiss nog mahl’, kankerde
een oudere korporaal. ‘Nu hebben die eikels godsamme een paar weken rust gehad achter
de linie en dan hebben wij weer stront, natuurlijk.’ De beschieting was
behoorlijk intensief maar wel niet echt effectief, in hun loopgraven niet in
ieder geval.
Een heel enkele granaat trof echter wel zijn ndoel en er
sneuvelden ondertussen wel twee van zijn mensen. Hij liet, op de paar wachtposten
na, iedereen terug trekken in een paar bomvrije uitgegraven ruimtes, die een meter
of drie lager lag dan de eigenlijke loopgraaf en hij bleef zelf tussen de
verblijven rondlopen en zijn mannen zoveel mogelijk toe spreken. Niet dat die kerels
in paniek raakten, ze waren al te vaak beschoten om echt bang te zijn, maar hij
wist uit ervaring dat zijn aanwezigheid een rustgevend gevoel gaf bij ‘der
Jungs’ zoals Nonkel zijn soldaten noemde. Het bombardement duurde twee uur en
toen daalde een haast weldadige stilte over hen neer. Meteen was elke soldaat nu
volledig op zijn hoede en gealarmeerd. Want als de artilleriebeschieting ophield,
dan begon de aanval van de vijand, dat wisten ze allemaal. Iedereen nam zijn
plaatsen op het vuur banket in en richtte de doorgeladen wapens naar het
niemandsland, waarvandaan de vijand zou komen. ‘Op mijn teken’, brulde hij. ‘Wacht
tot je ze ziet en ze dicht genoeg bij zijn! Verspil geen kogel!’
Nu brak van hun
zijde de hel los. Machinegeweren en Mausers, Lügers en lichte mitrailleurs,
alles vuurde met indrukwekkende snelheid op de naderende vijand, die als grauwe
schimmen uit de ochtendnevel die dicht op het land lag, opdook. Het werd een
slachting. Rij na rij vielen de Britse of Nieuw-Zeelandse manschappen onder het
geconcentreerde vuur uit hun loopgraven. Maar, met zijn geschoolde oor voor
alle geluiden die op gevaar konden duiden aan het front, hoorde hij nog iets
anders damn het trommelviiur. Iets dat hij niet gauw kon plaatsen. Iets
mechanisch, leek het wel, een soort diepe brom toon, een geratel, een aard toon
die langzaam luider werd. Voorzichtig stak hij zijn hoofd boven de vuurddekking
uit. Hij schrok! In de nu glooiende schemering zag hij opeens een paar stalen
monsters opduiken. Hij greep zijn kijker en richtte die op het dichtstbijzijnde
monster. Wat is dit? schoot door hem heen. Wat is dit voor de donder, dit heb
ik nog nooit gezien. Een veldwagen, een veldkombuis? Nee, natuurlijk, dat zijn
verdomme nog aan toe vuurmonden! In de
vergroting van zijn ‘Zeiss’ zag hij een vierkant front van grijs staal dat zich
duikend en stijgend over de pokdalige grond voortbewoog, aangedreven door een
soort, ja, wat was het, een soort van kettingen, leek het wel. Hij zag een, in
zwarte verf geschilderd nummer, op de flank van een van de mechanische wapens,
die links van het op hem aankoersende voertuig reed. D 16 was het nummer, maar
wat betekende dat? Het meeste deed het ding, nu ja, die dingen, hem denken aan
de primitieve tractoren die, aan het eind van de zomer, de dorsmachines
voortsleepten van boerderij naar boerderij als het koren gemaaid was, maar deze
waren dan wel een heel stuk dodelijker. Aan beide zijden van de machine waren
geschutskoepels aangebracht, zoals hij ze bij de slagschepen in de marinehaven
van Kiel wel eens had gezien. Die koepels spogen ondertussen vuur en dood en
verderf. Zijn eerste reactie was die van blinde angst voor deze helse
uitvindingen en hij wilde zich in veiligheid brengen. Naar achteren, dacht hij,
weg hier, weg, vlucht, ga naar de veiligheid van de achterste linies.
Ook aan de
hapering van het vuren van zijn manschappen merkte hij dat die geschrokken en
bang waren. Hij gleed al van zijn vuursteun en wilde zijn wapen wegsteken, toen
Nonkel Paul om de hoek van de loopgraaf verscheen. ‘Scheisse mensch, wat zijn
dat voor zaken?’ brulde de “Spiess”. ‘Ik weet het niet Nonkel, maar ik weet
wel, dat we weg moeten. Trek de secties één voor één terug naar achteren. Bel
HK dat we terugvallen op de lijn voor Flers. Ik blijf met de MG’s tot jullie
weg zijn en kom je dan na, maar snel, man, snel.’
Hij keek weer
naar voren en zag een derde en een vierde monster opdoemen uit de allengs
lichter wordende achtergrond. Terwijl Schmidt zijn orders brulde naar de
pelotonscommandanten en naar de sectie-onderofficieren rende hij gebukt naar de
plek waar hij de lichte machinegeweren had geconcentreerd. ‘Vlug Jungs,
concentreer je vuur op de voorste van die dingen. Met een beetje mazzel houden
we ze tegen. Concentreer je op de vuurmonden, daar kun je misschien treffers
plaatsen.’ De mannen keken hem stomverbaasd aan en de vragen over wat dat dan
wel voor onheils machines konden zijn, waren niet van de lucht, maar hij onderbrak
elke vraag. ‘Vuren, manne, vuren, onze levens hangen er van af.’
Grimmig deden de
schutter en hun helpers wat hun was opgedragen en een hels vuur barste meteen los
op de voorste van de brullende en stinkende monsters. En met succes, want na
een minuut of twee geconcentreerd vuur en waarschijnlijk verschillende treffers
in de schietgaten, trok de machine naar links en tuimelde op zijn zij in een
granaattrechter. De manschappen joelden en juichten en ook hij kon een gevoel
van euforie niet bedwingen en joelde mee met zijn mannen. Maar de vreugde was
van korte duur. Want uit de nevels en de regen meer en meer van de
moordmachines op, vuurspuwend uit de lopen van hun kanonnen en machinegeweren. Nog
eenmaal raaakte de MG sectie een voertuig en ook dat bleef staan in de modder.
Waarschijnlijk hadden de schiutters munitie geraakt, want met een daverende
knal ontplofte er iets in het binnenste van de, ja van de wat? In ieder geval
werden brokken staal en zo te zien lichaamsdelen, meters hoog en ver geslingerd
en hij hoorde het krijsen van stukken staal die vlak over zijn hoofd werden
geslingerd.
Ondertussen geschiedde
de terugtocht gedisciplineerd, hoewel het Duitse leger niet gewend was om zich terug
te trekken. Geweergroep na geweergroep ging naar achteren, ging daar dan in
dekking en zorgde, door geconcentreerd vuur uit te brengen, dat de andere groep
vervolgens naar achteren kon trekken. Ook hij verliet als laatste zijn post met
zijn machinegeweer groepen. Na een half uur waren ze in de achterste linie
gekomen en besloot hij meteen appel te houden. Iets later meldden de pelotons
commandanten de verliezen. In totaal waren er 13 man dood of vermist. Een paar
gewonden waren ondertussen al afgevoerd naar de verbandpost waar de arts en
zijn sani soldaten zich over hen ontfermden. Hij had al bevel gegeven om
vuursteun aan te vragen en de veldartillerie liet niet lang op zich wachten,
maar hun vuur lag niet goed. Zelf had hij ondertussen ‘Bataljon’ aan de
telefoon gehad. Gelukkig deden de verbindingen het nog. Maar ‘Bataljon’ wist
ook niet veel meer mee te delen dan dat hij deze positie tot het uiterste moest
houden. Op zijn rapport over de grote stalen landslagschepen, zoals hij de
gevaartes uiteinddelijk maar noemde, kwam een vaag verhaal waaruit bleek dat de
leiding er ook niet veel van wist. Hij maakte een snelle potloodschets van die
wapens in zijn zakboekje, trok de pagina eruit en en stuurde die door een loper
naar het hoofdkwartier in Bapaume, maar voorlopig verwachtte hij geen antwoord
terug. De situatie werd er niet beter op, want de Britten, gesteund door de
krijgsmachines, waren in een winnaarsstemming en rukten snel en fel op. Hij nam
toch nog maar eens contact op met de staf en liet aan de kolonel vertellen dat
hij zich definitief terug wilde trekken op Flers. Hij kreeg uiteindelijk dan
toch toestemming met de mededeling om dat dorpje kostte wat het kostte te
behouden. Gebruik makend van een rustigere periode, trok de compagnie terug op
het vernielde plaatsje en groef zich in, aan beide zijden van de Rue
Principale, de doorgaande weg van Combles naar Bapaume. De Impasse Pauline, een
doodlopend straatje dat vlak voor het minidorpje liep, leidde naar de begroeide
heuvel waar een ooit trots kasteel stond, maar dat nu een ruïne was, waarvan de
restanten van muren en een stuk van de slotgracht nog herkenbaar waren. Hier
vond een loper van het hoofdkwartier hen. Het bevel luidde: “Hergroeperen en
een tegenaanval zo snel als gereed en zodra de reserves waren aangetreden”.
Er zou dus een
reserve divisie in het veld worden gestuurd, maar die kon pas hoogstens over
zes uur hier zijn. Tot die tijd: “Standhouden en ingraven”. Ze hadden
nauwelijks hun nieuwe stellingen zo goed en kwaad als het ging betrokken tot ze
weer het enorme gedreun van de rijdende slagschepen hoorden. Vier van die
monsters rukten nu op en weer trokken ze zich terug. Rond de middag lagen ze ondertussen
al achter Flers in een zompig weiland. Ze lagen nu achter de vijandelijke
linie, bleek. De grote machines waren hen voorbij gerold en hadden zijn troep
niet opgemerkt. Veel gevechtsmachines waren er ook niet meer, overigens. Vaak
waren ze in loopgraven of granaat trechters blijven steken, begrepen ze.
Verdere verliezen
had de zevende niet meer geleden en er was nu even tijd om iets te eten. Dat de
sfeer weer goed was, of dat de nood hoog was, bleek wel weer uit allerlei
flauwe grappen die de ronde deden. Als de nood hoog is, was het in de zevende
compie tijd om witzen te vertellen. Vooral flauwe witzen. Jurgen vertelde een
mop. ‘Mann, oh mann, ik was gisteren op ziekenappel, komen net twee officieren
de tent uit. Zegt die ene luitenant tegen de andere: “Nou, die sjankermonteur
snapt er ook geen moer meer van. Ik kom bij hem, hij onderzoekt me en zegt dat
ik een tennisarm heb. Ik zeg, maar man, ik heb nog nooit getennist. Zegt die
andere officier: “Ja en tegen mij zegt ‘ie dat ik een geslachtsziekte heb, maar
ik heb nog nooit geslacht.”’ Er was hilariteit alom. Hij moest zelf ook grijnzen
maar toch wat nijdig op zichzelf door zijn schrik reactie en zijn angst voor de
stelen monsters rukte hij een blik noodrantsoen open en zette zijn blikken
lepel in de maaltijd die uit “Schweinefleisch mit Nudeln” bestond en die
volgens de fabrikant meteen energie terug bracht in uitgeputte lijven. Nou, dat
had hij wel nodig, een beetje energie. Hij was uitgeput na zo’n dag vechten en
terugtrekken. Schmidt, die langs zijn ‘Jungs’ was geweest en hen had bevolen om
te rusten en te eten en hun uitrusting te herstellen, liet zich naast hem
neerploffen en trok ook een blik open. ‘Is het je opgevallen, kap’tein, dat we
geen Tommy’s zien? Na die machines zou je verwachten dat die wel er direct
achter aan zouden komen rennen, maar ik zie geen moer. Ik hoor ze ook niet en
het schieten is een stuk minder, toch?’
Dat viel hem nu ook opeens op. Haastig schrokte hij zijn blik leeg, nam
nog een haastige slok uit zijn veldfles en greep zijn kijker. ‘Kom op, Nonkel,
we gaan op verkenning uit! Hansema, blijf hier wij gaan verkennen. Wees scherp
maar kijk uit voor als we terug komen. ‘Bayern’ is ons wachtwoord, hebben?’ Hansema knikte en samen met de Feldwebel
sloop hij via allerlei natuurlijke hindernissen terug naar Flers. Ze deden zo
omzichtig mogelijk want de kans om door de vijand alsnog beschoten te worden
was heel erg groot. Af en toe keek hij door zijn kijker om te zien hoe de
troepenconcentratie van de Tommy’s was. Hoe dichter ze het dorpje naderden, hoe
duidelijker het werd dat de vijand geen georganiseerde doorstoot van plan was
te maken of kon maken, misschien zelf verrast door het succes van de machines.
Ze trokken gezamenlijk heimelijk op naar de ruïne van het kasteeltje, of het
slot en hoorden duidelijk stemmen. Er werd door minstens twee man Engels
gesproken en hoewel hij de taal beheerste kon hij niet volgen wat er gezegd werd.
Hij nam zijn wapen in zijn hand en beduide Schmidt met een handgebaar om het
zelfde te doen. Na een paar minuten waren ze dermate dichtbij de sprekende
mannen gekomen dat hij het gesprek kon volgen. De mannen, hij hoorde twee
stemmen, zaten achter een muurtje dat vroeger mischien tot een koetshuis of zo
van het kasteel had behoord, maar nu bijna helemaal afgebroken en verweerd was.
‘No more bloody officers around’, verstond hij, ‘what now eh?’ De spreker had een accent dat met een bajonet te
snijden was en zijn toon was klagerig. ‘But I’m an officer dear chap’, zei een
tweede meer gecultiveerde stem. “Yeah, but you’re an bloody signals loewie,
mate, not a fucking real fucking lines officer. We need to know whotter we got
ter do, see, attack them fucking Jerry’s or what, eh? So let’s see what your
bloody signalsman comes up wif, if there’s really a bloody officer coming down
from HQ or what.’
Hij had genoeg
gehoord nu. Het bleek dat de Engelsen bij hun aanval zo goed als al hun
officieren hadden verloren en dat ze nu niet meer wisten wat ze moesten doen. Hij
vermoedde dat de eerste spreker een soldaat of misschien een onderofficier was
en dat de tweede man een verbindingsofficier was, die natuurlijk weinig veld
ervaring had. Vandaar dus het uitblijven van de stoot naar voren. Dit gesprek,
dat hij afluisterde, bleek dus een gedroomde kans voor de tegenaanval. Als de
vijand geen leiding meer kon krijgen, doordat hun leiders er niet meer waren,
kon zijn compie, sman met de reserve divisie een tegenaanval voorbereiden en
uitvoeren. Hij werd opgetogen en kneep Nonkel in zijn arm. Die had hetr verhaal
niet meegekregen, zijn Engels was niet goed genoeg, maar hij vertrouwde
helemaal op zijn jonge commandant. Ze besloten niet langer te wachten, sprongen
over het lage muurtje heen en zag de twee Engels sprekend mannen tegen een brok
muur restant geleund zitten, veldflessen in de ene hand, sigaretten in de
andere. Hun gezichten en handen waren besmeurd met roet en kruitslijm en hun
tunieken waren gescheurd en bemodderd. De oudste van de twee was, aan de
chevrons op zijn mouw te zien, inderdaad een sergeant en de tweede man had de
‘pip’ van tweede luitenant op zijn schouders. ‘Hande hoch, jullie zijn mijn
gevangenen! My prisoners!’ schreeuwde hij en duidde met zijn Lüger. Ook Nonkel
Paul had zijn wapen op hen gericht. De sergeant vloekte en greep zijn Lee
Enfield. Een korte vuurstoot uit de Mauser van Schmidt sloeg hem tegen de
vlakte. De officier stak zijn handen omhoog en hij beduidde hem te gaan staan.
De man was halverwege de twintig en had bruin en opzij gekamd haar. Hij droeg
een kleine snor en had regelmatige gelaatstrekken en heldere blauwe ogen waarin een intelligente
blik lag. Hij keek ontdaan en geschrooken maar had ook iets flegmatischs in
zijn blik.
Schmidt
ontwapende de luitenant, voelde aan de halsslagader van de onderofficier en gaf
een korte knik met zijn hoofd. De man was duidelijk dood.
Iets later liepen
ze gebukt terug naar hun eigen linies, de Engelse officier tussen hen in. Na
het roepen van het wachtwoord kwamen ze in hun voorlopige stellingen terug. Hij
gaf een koerier opdracht om aan het hoofdkwartier te melden dat in een
afgeluisterd gesprek was gebleken dat er nauwelijks meer officieren bij de
vijand in leven waren en dat dit het moment voor een tegenstoot zou kunnen
zijn. Daarna nam hij de gevngen genomen officier apart en vroeg de man naar de
aanwezigheid van hun troepen en hun locatie. De man herhaalde alleen zijn
naam en serienummer. ‘Ik ben tweede
luitenant John Ruben Tolkien, serial number E1298564, verbindings officier Lancashire
Fusiliers.’ Veel meer hoefde de man ook niet te vertellen volgens de wet op de
krijgsgevangenen, de wet van Geneve. In afwachting van het transport dat de Engelsman
ver achter de linies zou brengen, raakten ze kort in gesprek. Een beetje
grimmig merkte de Engelsman op dat zijn naam, Tolkien, een verbastering was van
het Duitse woord “Tollkühn” en dat zijn
familie van oorsprong uit Saksen kwam, maar dat hij zich nu helemaal niet Tollkühn
oftewel‘overmoedig voelde’. Ook vertelde hij dat hij les gaf in Oxford, dat hij
wilde gaan schrijven en van een reis die hij naar Zwitserland had gemaakt. Verder
vertelde hij dat hij gedichten schreef en dat hij net getrouwd was. Hij miste
zijn vrouw, Edith, vreselijk, zuchtte hij en vroeg of zijn collega officier ook
het genot van het huwelijk kende. Hij zuchtte ook en vertelde dat hij nog niet
de ware was tegengekomen. Na een tijd kwam het gesprek op boeken en verhalen en
het bleek dat ze veel van dezelfde schrijvers hielden.
Bataljon had nog
steeds niet gereageerd op zijn bericht en ook de Feldpolizei. die luitenant
Tolkien moesten afvoeren. kwamen niet opdagen.
Het gesprek
verliep verder zo geanimeerd en vrolijk dat er, na een half uur al, een soort
vriendschap ontstond en hij vond dat hij de jonge luitenant niet naar de
krijgsgevangenkampen kon laten afvoeren. Op een bepaald moment nam hij Tolkien
apart en zei hem dat ook. ‘Luister John, binnenkort gaan we een tegenaanval
opzetten. Dat begint altijd als een heleboel chaos. Ik zal niet op je kunnen
letten op die momenten. Over een paar minuten zal je misschien worden afgevoerd
naar de achterste linies. Ik vind het vreselijk om je de rest van de oorlog in
krijgsgevangenschap te zien, dat begrijp je, neem ik aan? Ja, ik moet wat
dingen doen, voor de Feldpolizei er is. Ik geloof dat ik me zo even omdraai om
de stafkaart te bekijken en dat de Feldwebel bezig is om de manschappen te inspecteren,
versta je? Und wer weiss, nach dem Krieg?’
Hij draaide zich
om, bukte naar zijn kaartentas en keek na een minuut of wat weer op. Tolkien
leek verdwenen alsof hij onzichtbaar was geworden. Het laatste dat hij van hem
zag was een gebogen gestalte die van terreingesteldheid naar terreingesteldheid
sloop. Nonkel Paul kwam terug van een snelle inspectie van de mannen. ‘Is het
niet gevaarlijk kap’tein, dat je hem hebt laten gaan? Misschien verraad hij ons
plan voor de tegenaanval?’ Hij stelde de ‘Spiess’ gerust. Tolkien zou zijn
gezicht wel houden. Bovendien was hij waarschijnlijk net in zijn eigen linie op
het moment dat zij de aanval zouden inzetten.
Een half uur
later had de reserve divisie zich bij hun gevoegd en had hij zijn verslag van
de verkenning van het terrein aan de majoor, bij wiens bataljon zijn compagnie
tijdelijk werd ingedeeld, gedaan. Hij vertelde uitgebreid zijn verhaal over de
stalen monsters en de majoor, Rommel heette hij, knikte. Ja, daar had hij van
gehoord. In Courcelette, een paar kilometer naar het westen, waren ook nog eens
twee van die monsters uitgeschakeld door de veldartillerie en de bemanningen waren
gevangen genomen. Uit verhoren hadden ze verteld dat het een nieuwe Engelse
vinding was die vandaag voor het eerst werd ingezet om de Duitse stellingen te
doorbreken en dat het wapen in de ontwikkeling stage ‘tank’ werd genoemd om zo
de inlichtingendiensten op een dwaalspoor te brengen. Die moesten dan denken
dat het om een soort water- of brandstof tank zou gaan.
Hij meldde zich
weer bij zijn troep en door hetzelfde terrein sluipend waar hij die ochtend met
Schmidt al was geweest, bereikten ze de tijdelijke stelling van de Britten. Het
was ondertussen wat droger geworden maar, hoewel het pas tegen drieën was, leek
het al schemerig door de laaghangende wolken die het Franse land nog grauwer
maakte dan het al was. Commando’s klonken en de mannen sprongen op, vuurden met
hun Mausers en maakten zo een overweldigende indruk dat de tegenstander, die nu
alleen een paar lagere onderofficieren als leiding had, na een paar minuten in
volle terugtocht was. Hij rende voor zijn mannen uit, ondertussen zijn wapen
herladend en zo bereikte hij de ruïne van het oude Chateau de Flers. Hij keek snel rond en zag dat hij vel te ver voor
de compie was uitgerend. Hij gaf een armsignaal dat “op mij verzamelen”
betekende, maar wist niet of zijn mannen hem konden zien. Hij bereikte de oude
slot muur en sprong, bijna bij hetzelfde plekje waar ze Tolkien hadden gevangen
genomen, over het muurtje. Hij landde op beide voeten en wilde een moment
wachten om te zien of zijn kerels zich bij hem zouden aansluiten. Met bevende
handen en hijgende ademhaling trok hij een pakje sigaretten tevoorschijn, stak
op en inhaleerde diep. ‘Not so clever, Hun’, was het laatste wat hij hoorde
voor een verlammende pijn in zijn rechter arm hem het bewustzijn deed verliezen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten