vrijdag 29 augustus 2014

De historie



2

Als Babette (of heette ze nu Antoinette), of een van de andere toenmalige secretaressen, er zijn er zoveel geweest dat ik hun namen niet allemaal meer heb onthouden, me dan mijn eerste (echte koffie) koffie bracht, lengde die ik dan ook weer wat aan, met dat wat ik voorhanden had dan. Vaak was dat, in ieder geval in het begin van mijn beste en duurbetaalde uren en jaren, een shot Johnnie Walker Black. Rond een uur of negen was ik dan ook helemaal het mannetje, weet je niet. Helemaal relaxed, helemaal op het spoor van de dossiers die ik moest afhandelen en van de zaken van de cliënten waar ik dan voor naar de Parnassusweg, in Zuid, moest. Of naar welke achterlijke provinciale boeren-rechtbank in welke provincie dan ook.
Een van de meiden, vaak was dat die Babette, ik geloof echt dat ze zo heette, (mijn ouders hebben ooit een kat gehad die ze zo hadden genoemd, ja, af en toe komt mijn geheugen weer wat terug), of een van de andere meiden die toen nog voor me werkten, ik had er altijd een stuk of twee tegelijk in dienst, bracht dan mijn zogenaamde “eerste echte” koffie. De secrtstearse, eh, de secretaresses, zo heten ze, natuurlijk, begonnen pas om negen uur, kantoortijd. (Ja, ik maak soms schrijffouten, de grijze massa moet heel erg sterk herstellen.)
Nu ja, ik geef het toe, ik lieg, ik heb van die achterlijke artsen gehoord dat ik eerlijk zou moeten zijn. In en met alles, zeggen ze, steeds. Niet dat ze weten dat ik dit opschrijf, hoor, ik heb ze nu al dagen, weken misschien niet gezien en dat doet me wel deugd, die achterlijke gasten! Nee, mijn werkdag dag begon al om acht uur, ok, eerlijk nu, om zeven uur. Ik was als eerste op kantoor, vooral toen ik nog een kantoor had. Ik maakte een bak oploskoffie, van die poederzooi van Nescafe, zeg maar) en deed daar dan wat door, ja, hallo, ik moest wel, de nacht ervoor was bijna altijd wild geëindigd over het algemeen en ik had de geur en de smaak van die  vrouw van die nacht nog aan mijn vingers hangen, voelde haar nog in mijn  mond en rook haar in mijn neus. (Net als die effing niesbuien die van dat witte spul kwamen, Godver! Af en toe likte ik zo’n mokkel en dan dacht ik dat ze ongesteld was, zo een smaak van bloed kreeg ik in mijn muil, maar nee, het was het bloed uit mijn neus die ik dan op likte, van die fokking lijnen die ik snoof. Die vrouwen hadden daar overigens niet al te veel last van hoor, van mijn verdoofde tong en iets later van mijn verdoofde plasser, die als een Eiffeltoren omhoog bleef staan, want die bezorgden hun minuten van geluk, iets dat wat ze bij hun burger mannetjes vaak helemaal te kort kwamen. Die gingen der op en der af en deden dan snel klaarkomen en rolden terug, vertelden sommige van die grieten aan me, nadat ze een vierde of vijfde keer kwamen en het uit hadden gekreund en mij “liefste en schat en beste minnaar ooit” hadden genoemd!
In het begin van mijn praktijk, nu ja, in het begin van de jaren dat ik echt dronk, maar heel eerlijk gezegd, ondanks de indoctrinatie van die Berkelhagens, nee Berkehagen heet ‘ie toch, en de Brachels van deze wereld, heb ik nooit echt heel veel gedronken, mind you. Brachels? Nu ja, het is mijn “troetelnaampje” voor hem.Ik ben zijn eigenlijke naam kwijt. Hij is, net als die Berkenbos, een geweldige klootzak, hoor. Hij schijnt ooit eens een glanzende carrière bij de marine in het vooruitzicht gehad te hebben, maar dat schijnt ‘ie verkloot te hebben ooit, toen die ergens in een oorlogsgebied moest optreden en helemaal verstarde omdat hij bloed en afgeschoten ledematen zag of zo. Ja, nu ja, zo ken ik de lul ook wel. Hij is toen maar psychologie gaan doen, geloof ik en kwam dus uiteindelijk hier terecht. Die plek, de inrichting waar ik nu al weer een jaar of zo zit! Nu ja, alles is naar de kloten nu, ik geef het toe. En ja, zover ben ik ook wel weer opgedroogd om toe te geven dat het mijn schuld is. Nu ja, eigenlijk dan ook weer niet helemaal, want het kwam eigenlijk allemaal door het feest waar we toen waren.

Ik wilde wel eens naar huis. Ik was moe, ik had die dag een heleboel cliënten gehad en zaken gedaan en ik wilde eigenlijk alleen maar een lang weekend slapen. Dus zocht ik Jo Janneke op in het feestgedruis, maar kon haar in de drukte niet vinden. Ik zette mijn glas ergens neer en ging op zoek naar mijn vriendin, waar ik al een jaar of twee samen mee was. Ik dwaalde wat over de etage van het grachtenpand aan de Amstel en zag diep in het achterhuis een deur op een kier staan. Ik hoorde een hijgende en extatische ademhaling, die ik maar al te goed herkende. Ik opende voorzichtig de deur op een kier en keek in het in verrukking en van een naderend orgasme verkerende gezicht van mijn vriendin, die half op een bureau lag, haar benen gespreid, het slipje om een enkel en haar voeten steunend op de schouders van een man die tussen haar benen hurkte en die doende was met zijn mond en vingers in haar kruis. Opeens had zij vermoedelijk de deur of een kreet van ontzetting van mij gehoord en ze had me recht in mijn smoel gekeken. Ik had de deur met een knal achter me dichtgeslagen en was woedend en bevend van ellende weggerend. Die nacht had ik me in slaap gehuild. Ja, toen waren mijn gevoelens nog niet afgevlakt door drank en witte meuk. Zij was nooit meer thuisgekomen. De volgende dag, toen ik rond vijf uur ’s middags uit mijn kantoor naar huis was gekomen, waren haar spulletjes en haar kleding weg. Er had een kort briefje op de salontafel gelegen: ‘Sorry, ik had het niet moeten doen, maar ik heb er geen spijt van. Tussen ons zou het nooit iets meer worden. Dag,
Jo.’


De Reis.

Ik zou een paar dagen met een stel kennissen gaan fietsen. Nu ja, een paar dagen, het was een dikke week als ik het eerlijk moet zeggen. Fietsen ja, maar dan wel op van die lichte aluminium of carbon gestroomlijnde apparaten met van die kromme sturen en fraai uitgevonden schakelmechanismen in de remgrepen verwerkt. Het festijn zou ergens in de Ardennen gaan plaatsvinden, niet te ver van de grens met ons land. Onze thuishaven zou in Banneux zijn, een klooster op een heuvel, niet te ver van Pepinster. Een fraai gebied, zeiden ze tegen me, het zijn geen al te steile of al te hoge bergen, dat kan jij ook aan. Ik betwijfelde dat laatste een beetje, overigens. Ik kende de Ardennen vrij goed van eerdere fietstochten. Maar ik was toen al, en met mijn huidige conditie al helemaal niet, een ras klimmer. Sterker, ras en klimmer en dat in die combinatie kwamen helemaal niet in mijn woordenboek voor. 
Ik weigerde aanvankelijk dan ook met groot plezier en met het nodige chagrijn dat ik na mijn diepe val in die inktzwarte duisternis over me heb gekregen, dan ook hartelijk voor dat gedoe. Uiteindelijk had ik dan de keuze: of je blijft achter in de kliniek of je gaat mee. Achterblijven in de kliniek leek me wel wat. Ik had dan weer eens mooi de tijd om er eens uit te breken, letterlijk en figuurlijk dan en dat kleine kroegje op de hoek van de twee grachten op te zoeken. Ik zou in dat geval mijn alcohol inname beperken tot vijf, hooguit zes biertjes en dan in mijn eentje via de zelfde sluiproute weer terug gaan naar de kliniek en naar mijn kleine kamertje. Nu ja, in mijn eentje? Ik zou een metgezellin hebben, dat wel. De kastelein zou ze me bezorgen, tegen niet al te veel geld. Een met fraaie rondingen en een vurig karakter. Eentje die me helemaal ten dienst zou staan, stil zou zijn, geen verwijten zou maken  en waar ik het zo vaak en zo veel mee kon doen als ik dat wilde. Nu ja, tot de volgende ochtend dan, dan moest ze verdwenen zijn voordat de verplegers hun ronde zouden doen. Dan mocht ik niet met haar betrapt worden of ik zou weer de isoleer in worden geflikkerd, iets wat me al eens was overkomen en waar ik totaal geen behoefte meer aan had om het nog eens te beleven. Maar ik zou de lege Cognac fles wel kunnen dumpen in de grote afvalcontainer die schuin onder het raampje van mijn cel stond. Cel? Zei ik cel? Nee, natuurlijk is het geen cel, nee, zo zou ik dat niet mogen zien, had dokter van der Berkehagen me verteld, de lul. Nee, nee, mijnheer Saul, het is geen cel, natuurlijk niet, had hij wat kakelend gelachen. Zijn adem rook naar Wilhelmina pepermunt van de firma Fortuyn uit Dokkum. Die glutenvrije en voor diabetici geschikte witte snoepjes die ik zo goed kende van ooit. In die "ooit" tijd had men mij verteld dat er een vorm van spiritus, dus alcohol, in die snoepjes zat en dat ik er een high van zou krijgen als ik er maar genoeg van at.   
Ik vrat indertijd dus een kilo van die zooi per dag. En, als de plaatselijke Keten geen Wilhelmina pepermunt meer had, vrat ik Mentos of King of zo, tot ik me verbeelde dat ik een kick kreeg, nu ja, je doet als verslaafde alles om aan je gerief te komen. Dat heb ik wel geleerd van die verslavingsarts die me vier keer in de week bij zich roept en me verteld dat ik eigenlijk niet ziek ben maar een man met een zwakte en die wordt geplaagd door zijn verleden en door zijn abusievelijk gedrag daar aan placht te ontkomen! 
Maar ik vrat die witte meuk natuurlijk ook omdat ik me tegen mijn klanten geen "ring van zelfvertrouwen" wilde aanmeten, zo een kegel, je kent het wel. Nu ja, de klantenkring die ik toen had, had die ring ook wel vaak, maar dan later op de dag dan ik ze had. Mijn klanten kregen die adem na een uitgebreide lunch met zakenmensen. Een vloeibare lunch die duurde van twaalf tot vier uur, vaak. Daarna ging men nog even, om de gedane zaken te beklinken, naar een gelegenheid die men in Mokum een hoerenkast noemt om, dan, na gedane arbeid, tegen zessen mijn kantoor te betreden om een en ander op papier te zetten en zo legaal te maken. Mijn drankadem begon overigens al om een uur of negen. Als Babette, een van de toenmalige secretaressen, er zijn er zoveel geweest, dat ik ze niet meer heb onthouden, me mijn eerste koffie bracht. Ik lengde die dan wat aan,