woensdag 23 november 2016

Het graf



8.

Hoewel hij dus helemaal gelukkig hoorde te zijn, knaagde er nog steeds wat in hem, diep van binnen. Niet dat het heel vaak naar boven kwam, zo ook weer niet! Natuurlijk, hij was gelukkig getrouwd en Marianne en hij hadden het goed samen, zowel in als buiten het bed. Karl Gustav was een goede vlieger en een fijne, volwassen man geworden en de meiden, Hertha en Trude, waren bezig om van giebelende bakvissen in mooie en verantwoordelijke jonge vrouwen te veranderen. Hoewel beiden waren aangesloten bij de BDM, was dat meer om hun baantjes zeker te stellen en niet omdat ze achter die brallende “snorrewitz”, zoals Hertha de dictator altijd noemde, aanliepen of ook maar iets van zijn brulpartijen of zogenaamde beloftes voor waar aannamen.
Nee, dat was het niet wat aan hem knaagde. De rare geschiedenis met het roze zakdoekje en de droom die daar kennelijk bij hoorde hadden hem nooit verlaten. Het stukje stof had hij later gewassen en keurig opgeborgen in een envelop en in een hoek van zijn bureau verborgen. Soms, in een leeg ogenblik, haalde hij het stukje stof nog wel eens tevoorschijn en dan herinnerde hij zich de droom en de vrouw in die droom alsof het gisteren was geweest. Weemoedig wist hij dan dat die vrouw, die Louise Anne, de enige vrouw was waar hij zo diep van had gehouden. Er met Maritte, zoals hij zijn vrouw liefkozend noemde, over praten had hij nooit gedaan, hoewel het natuurlijk onzin was om te denken dat hij haar ontrouw was of was geweest of iets dergelijks. Nee, als hij daar al over had gepraat zou hij toch zijn liefde voor Louise Anne moeten opbiechten en dat wilde hij haar niet aan doen. Hij wilde haar absoluut niet het idee geven dat ze zijn tweede keus was. Bovendien, hoe kon hij haar, nee. Beter gezegd, hoe kon hij ooit iemand, uitleggen dat hij verliefd was op een vrouw die hij nooit had gekend, nooit gekend kon hebben. Maar, er waren nachten, als hij rustig naast Maritte lag en haar adem hoorde, dat hij terug was in die vreemde tijd, waarvan hij bijna zeker wist dat hij die daadwerkelijk beleefd had. Dat was ook een van de redenen geweest om, na de snelle overwinning, een verzoek bij het hoofdkwartier in te dienen om als Ortskommandant in Amiens gestationeerd te worden. Flers was niet ver daar vandaan en hij zou zo vermoedelijk de tijd hebben om onderzoek te gaan doen. De vragen en vermoedens over die droom, of misschien wel die tijd, intrigeerden hem al jaren! Dat was ook de reden van zijn vraag aan Heinrichs geweest. Hij wilde uit laten zoeken of er wat bekend was over de geschiedenis van Flers maar de onderofficier schrijver had slecht een heel summier pakketje met informatie over het dorpje weten te vinden. Zeker, er was een kasteelruïne, maar meer dan dat was er ook niet te vinden, vertelde hij. Hij las de informatie nog eens door, terwijl hij langzaam en peinzend rookte. Hij werd uit zijn gedachten opgeschrikt door een luitenant die hem saluerend voorbij liep. Haastig groette hij terug en nam het besluit om zelf op onderzoek te gaan. Met een verende tred liep hij terug naar zijn bevelspost.  

De volgende ochtend vroeg had hij zijn Kubelwagen al om acht uur besteld en zijn chauffeur opdracht gegeven om naar Flers te rijden. De chauffeur startte de auto en reed het niet al te grote stadje uit. Ze volgden de weg naar het dorpje Albert en vandaar sloegen ze de richting van Bapaume in. Zijn chauffeur, een jonge Oostfries die Otto Klein heette, neuriede, zachtjes, hij wist dat “zijn Generaal”, zoals hij de man haast liefkozend noemde, geen liefhebber was van geluiden in de ochtend, en zeker geen muzikale geluiden, een schlager en reed behendig over de volle en drukke wegen. Hij haalde militaire transporten in, kroop tussen allerlei colonnes door en voelde zich de koning van de weg. ‘Ik heb altijd al de chauffeur van de generaal willen worden’, grijnsde de man, ‘door die vlag op het spatbord krijgen we namelijk overal voorrang.’ Hij lachte om het jeugdige enthousiasme van de boerenknul. ‘Ik kan je wel vertellen Otto, dat het hier vijfentwintig jaar geleden helemaal niet zo vlot ging, ook al had je vijf generaals vaandels op je wagen. Het was hier allemaal loopgraaf en vernieling, zo ver je kon kijken.’ De chauffeur keek wat verwonderd achterom en hij vertelde nog wat over die oorlog waar hij als jonge kerel in gevochten had. Bij Martinpuich verlieten ze de doorgaande weg en reden door velden die met fraai gekleurde gewassen begroeid waren en door kleine dorpjes verder naar Flers. Het dorpje, meer een gehucht dan iets anders, er woonden nog geen 300 mensen, was ondertussen helemaal herbouwd en zag er zelfs welvarend uit. Na wat vragen te hebben gesteld aan voorbijgangers, kwamen ze bij de Impasse Pauline, waaraan de ruïne moest liggen. Er was helemaal niets te zien van dat wat op een kasteelruïne moest lijken. Er stonden geen brokstukken van muren, er waren geen torens of zo meer te zien, er waren helemaal geen bijgebouwen meer, kortom, er was niets meer. Heel vaag zag jij een verdieping in het terrein, dat misschien kon duiden op een slotgracht die er ooit geweest was. In de verte zag hij een bomenrij of misschien een bosrand waar hij, ooit? Misschien? Met Louise Anne een heerlijke middag had doorgebracht.
Vlak voor het nu bijna helemaal door onkruid en struiken overwoekerde terrein liet hij Otto de wagen stoppen en pakte een pioniersschep uit het rek dat achter op het voertuig was bevestigd. ‘Gaat U goud zoeken, Herr General?’ wilde Otto schertsend weten. ‘Nee, mijn jongen, ik ga een droom zoeken’, bromde hij. Hij baande zich een weg door het kniehoge gewas en probeerde zich te oriënteren. Wat hij precies zocht wist hij ook niet echt, maar iets, iets moest er zijn dat de herinnering aan Louise Anne voor hem zou aantonen. Hj liep zoekend rond, keek en speurde en uiteindelijk zag hij iets dat op een oud stuk kasteel leek. In een hoek van het veld stuitte hij namelijk op een stukje muur, waarvan hij, opeens, met klaarheid en met zekerheid wist, (hoe?, vroeg hij zich af) dat het een deel van de muur van een van de stallen was geweest. Het was nauwelijks dertig centimeter hoog en overgroeid met klimop en lange veldgewassen. Hij scharrelde zonder hoop nog wat rond, zonder iets te vinden dat hem op een verder idee bracht en liep dan toch maar verder. Zijn hoop was ondertussen al vervlogen om nog eens iets te vinden dat hem zou kunnen helpen om naar de droom, nee de waarheid, zei hij scherp in zich zelf, te kunnen onthullen. Opeens vond hij iets dat op een oud en vaak betreden pad leek en hij besloot het te volgen. Onder een oude en al jaren omgevallen boom vond hij wat hij zocht. Een zerk. Hij schraapte met zijn schep zoveel mogelijk het onkruid en het vuil van jaren weg en  viel ontroerd op zijn knieën.
Het opschrift op de zerk luidde:
Louise Anne de Broussier
Chateleine de Chateau de Flers
15 août 1780 – 16 septembre 1816
R.I.P.
Hij bleef een tijd geknield zitten, terwijl de tranen over zijn wangen liepen. Dus toch, ze had bestaan, zijn droom was geen droom geweest. Hij had eeen soort tweede leven geleid, misschien? Maar wie was hij dan geweest, toen? Een cavalarie man, net als hij nu was, maar dan 125 jaar geleden? Was hij een reincarnatie van, ja van zich zelf misschien? En wie was zij dan geweest? Wie was zij geweest? Ze had bestaan, dat bleek. Was zij dan zo maar een droom geweest? Had hij over haar gelezen in een geschiedenisboek? Hij was overmand door raadselen.
Hij nam zijn schep weer ter hand en, door een ingeving gedwongen, schraapte hij wat naast de zerk verder. De schep trof weer een harde ondergrond. Een steen ook, maar eeen stuk kleiner. Hij liet zich op zijn knieën vallen en groef met zijn handen de grond en gevallen bladeren en de wortels van de kleine grafsteen weg.
Hij las en brak nu in een heviger huilbui uit. Hier lag: “Gunther Broussier - von Dieteringen, geboren: 15 augustus 1915, overleden: 16 september 1916.”
Zijn zoon!


Uit de Gazette d’ Arras, 18 september 1816

Naar nu bekend is geworden is jongstleden woensdag, de 16e september het kasteel van Flers door een bliksem inslag getroffen en geheel afgebrand. De kasteelvrouwe, Mme. Louise Anne de Broussier en haar eenjarige zoontje zijn hierbij noodlottig omgekomen. Zij had haar kasteel opengesteld voor gewonde soldaten van de bevrijdende legers, maar er waren, op een jonge Rittmeister na, geen herstellenden meer aanwezig. Over het lot van de Pruisische zieke is verder niets bekend. Het personeel van het kasteel redde het vege lijf.
Mme. De Broussier en haar kind zullen worden bijgezet in een graf op het terrein van het kasteel. Wat er met de restanten van het slot gaat gebeuren is nog onzeker.

121116

zondag 20 november 2016

De Generaal





7.

De zomer van ’40 was een van de fraaiste zomers in jaren. Ook het voorjaar was geweldig geweest. Droog en zonnig. Het was eigenlijk vanaf mei al maanden lang droog geweest en dat beloofde voor later veel goede oogsten. Al de graanvelden stonden er goed bij met veel rijpend gewas dat goudgeel straalde onder de zon. Ook de wijngaarden stonden nu al vol dikke trossen die wachtten om geoogst te worden, straks in oktober en die een goed wijnjaar beloofden.
Dat fraaie voorjaarsweer was ook in het voordeel van de invallende Duitse legers geweest, die als het ware op herhaling gingen in dat land, tweeëntwintig jaar na hun niet eens zo smadelijke terugtocht uit de hel van de slagvelden van Noord Frankrijk. “General Oberst” Heinz Guderian, de “uitvinder” van de Blitzkrieg, had het Duitse tankwapen ontwikkeld tot in de perfectie. Dat Duitse tankwapen had de Fransen en de Belgen overweldigd in de bossen en heuvels van de Ardennen, had hen achtervolgd over de noord Franse laagvlakte en had die legers vernederd en hen tot een oneerbare capitulatie gedwongen. Ook de Britten, met hun BEF, de British Expeditionary Force, hadden zich ternauwernood in veiligheid kunnen brengen door het zogenaamde wonder van Duinkerken. Nu ja, geen zogenaamd wonder. Het was een wonder en een duidelijk signaal van de Britten aan de rest van de wereld dat zij zich niet naar de slachtbank lieten leiden. Het was een wonder en een historische gebeurtenis, dat, ook bij de Duitsers, groot respect verdiende.
Maar de manier waarop ze uit die val van Duinkerken hadden kunnen ontsnappen was voor hem nog steeds een groot raadsel. Waarom had Hitler zijn tanks halt laten houden, vlak voor dat ze de Engelsen in hadden kunnen sluiten, tot de laatste man hadden kunnen gevangen nemen en zo de Britten tot overgave hadden kunnen dwingen?
Men fluisterde dat hij, Hitler, zo Churchill wilde dwingen om een vernederende vrede te sluiten zodat Duitsland dan een vijand minder zou hebben. Hitler zou dan in de rug gedekt zijn en de man zou zich dus helemaal kunnen gaan wenden naar het oostfront Het oostfront, de strijd tegen het bolsjewisme, iets waar hij het in zijn vreselijke en nauwelijks leesbare boek al steeds over had. Hij zou dan, in zijn wazige gedachten, daarbij welwillend gadegeslagen worden door zowel de Britten als de Amerikanen. Met de Engelsen eenmaal aan de zijlijn zouden de Yanks zich dan natuurlijk ook verder niet met de oorlog bemoeien en kon de kleine “Gefreite” zich dus helemaal richten op zijn grote droom, namelijk om het Russische gevaar de kop in te slaan en het bolsjewisme uit te roeien.
Maar die verrekte sigaren rokende en, als in een obsceen gebaar, twee van zijn vingers opstekende alcoholist di Churchill was, was daar niet op in gegaan en had zijn volk: “blood, toil, tears, and sweat”, (bloed en strijd en zweet en tranen) beloofd. Nou dat konden ze dan krijgen, want het meest succesvolle leger in de geschiedenis ooit, was toch wel dit overwinnende Duitse leger. Hij stak een sigaartje op, blies de rook genietend uit en schudde zijn hoofd om de domheid van Churchill. Het moest toch zelfs bij die decadente adellijke Engelsman wel duidelijk zijn dat zijn land aan het einde van haar bestaan was? Maar God ja, aan de andere kant had hij natuurlijk jaren tegen de Engelsen gevochten en wist dat het tegenstanders van formaat waren.
Hij stapte uit de Kubelwagen die hem terugbracht van een inspectieronde langs de troepen in de buurt van Amiens, klopte het stof van zijn kleding en liep de “Ortskommandatur” binnen. Deze was gevestigd in de voormalige Mairie, het gemeentehuis, van de stad, aan de Rue des Jacobins. De schildwachten die aan beide zijden van de toegangsdeur geposteerd waren, presenteerden met Duitse precisie, het geweer en hij gaf de militaire groet terug. Hij was wel al helemaal geen lid van de partij en hij vond de malligheid van het met gestrekte armen naar de hemel staan te wijzen ook niet passen in zijn militaire structuur.
Binnen stond de kleine Majoor administrateur Heinrichs al op hem te wachten met een tas vol papieren. ‘Goede morgen Herr General, ik hoop dat alles naar wens was tijdens de inspectie?’ ‘Oh ja, oh ja, Heinrichs, alles naar wens. De troepen zijn in opperbeste stemming natuurlijk. Wat wil je. Verlof voor de mannen, Wein, Weib und Gesang na de Franse nederlaag, ja. Logisch dat ze goed gezind zijn. Goed, heb je tekenpost? Leg maar op mijn bureau, dan kijk ik er straks naar. Oh ja, heb je nog kunnen vinden wat ik zocht?’
‘Jawohl, Herr General, maar eigenlijk was het de onderofficier schrijver die het voor me heeft op kunnen zoeken. Hij heeft de map met gegevens in uw privé vertrekken gelegd. Ik hoop dat dat goed was?’ ‘Bestens, Mann, bestens, kom we gaan eraan beginnen.’ De verdere dag verliep met dodelijk saaie, maar in het Derde rijk bitter noodzakelijke administratieve zaken. Hij tekende papieren over inkwartieringen, over brandstof- en voedselverbruik. Over verbruik en aanschaf van kleding en schoeisel. Hij las over munitie verbruik en het verbruik van toiletpapier en van noodrantsoenen. Hij las wat strafzaken na die begaan waren door soldaten onder zijn bevel. Een zaak schoof hij door naar de hogere rechtbank. Een soldaat had zich strafbaar gemaakt door dat hij een verkrachting had gepleegd. Hij las het dossier nauwgezet door en gaf als zijn mening dat de man zich schuldig had gemaakt aan een oorlogsmisdaad en de zwaarste straf diende te verdienen die er was, de dood door de kogel.
Na een late lunch op zijn hoofdkwartier, met enkele kolonels en hun aide d’ camps, had hij de late namiddag voor zich zelf. Hij besloot een wandeling te maken door het stadje dat hij nog van jaren her kende. Amiens was in die oorlog helemaal verwoest geweest, maar was deze keer wonder boven wonder gespaard gebleven van totale vernietiging. Wel zag hij hier en daar herbouwde panden in een stijl die duidelijk jonger was dan die van de omringende gebouwen, maar al met al was de stad redelijk gaaf gebleven. Hij liep de Rue des Jacobins uit en sloeg vervolgens de Rue Lamartine in, die hij volgde tot hij bij de Port d’ Amont kwam. Daar liep hij de vrij steile brug op en bleef een tijd naar de Somme staren, de rivier die het stadje doorkruiste. Zijn gedachten gingen terug naar de jaren die tussen de slag aan de Somme en nu in waren vergleden.

Na zijn verwonding was hij, zoals Nonkel Paul al had gezegd, inderdaad naar huis gestuurd. Hij had nog wel een paar maanden in een militair ziekenhuis moeten herstellen, maar dat was, door de steun van zijn familie, prima verlopen en hij had bijna de volledige functie van zijn arm terug gekregen. Hij had daar ook Marianne ontmoet, een slanke blonde en blauwogige verpleegster en een dochter van een Geheimrat. Ze waren nog voor het einde van zijn ziekteverlof getrouwd maar hij was niet teruggekeerd naar het front, in elk geval niet als infanterist. Nadat hij de wrede oorlogsmachines in actie had gezien, had hij begrepen dat dat het nieuwe wapen voor de toekomst zou worden. Het Duitse leger had zo een wapen buitgemaakt, gekopieerd en verbeterd. Hij had zich opgegeven voor het nieuw opgerichte ‘Panzer kompagnie’ en was aan het einde van 1917 als commandant van een grove en onhandige en vooral trage A7V, de ‘Thius’, zoals het wapen genoemd was, teruggegaan naar het front. Veel actie hadden ze niet gezien. De oorlog was voor hem en zijn mensen dus verder vrij rustig verlopen en na de wapenstilstand was hij, uit eigen keuze, aangebleven in het leger, dat, na de vredesbepalingen, nog maar uit 10.000 man mocht bestaan. De jaren na de oorlog waren moeilijk, zwaar en arm geweest, maar samen met Marianne hadden ze zich er aardig doorheen geslagen. Hij had zijn salaris gehad, Marianne kwam uit een niet onbemiddeld gezin en ook de inflatie hadden ze kunnen doorstaan. Marianne en hij hadden drie kinderen gekregen, waarvan de oudste, Karl Gustav, nu bij de luchtmacht diende en momenteel werd ingezet in de Balkan. Hij zelf had aanvankelijk slechts heel traag carrière gemaakt, zoals al zijn mede officieren en hij was, samen met onder andere Heinz Guderian, een tijd in de Sovjet Unie geweest, waar ze hun nieuwste tanks in het geheim konden uittesten.
Een schendig van het verdrag van Versailles, had het geheten, maar zij hadden zich gerechtvaardigd gevoeld om dat te doen omdat het Duitse volk leeggezogen werd door de afgrijselijke herstelbetalingen waar voornamelijk de Fransen op aan hadden aangedrongen. Toen de Weimar republiek in stortte had hij een tijd in dubio gestaan over zijn loyaliteit. Goed, de nieuwe leider van het Duitse volk, de man die hij zich eigenlijk nog maar heel vaag herinnerde uit de slag aan de Somme, (de man had zich destijds als loper Hiedler genoemd of zo) had het volk en het land er aardig bovenop weten te krijgen maar de politieke invulling van diens regering strookte in het geheel niet met zijn meningen en opvattingen. Hij geloofde meer in de kracht van de democratie en van de mening van het volk dan dat van een enkele verdwaasde schilder uit Wenen.
Toen dan ook nog eens de wetten tegen allerlei minderheden zoals Joden en Zigeuners werden uitgevaardigd, toen er in het openbaar boeken werden verbrand en mensen werden vermoord die niet de mening van de megalomane man die het Rijk bestuurde aanhingen, had hij op het punt gestaan om uit het leger te stappen, maar zijn vrouw had het helemaal terecht overigens, had hem liefjes gevraagd waar ze dan wel van moesten leven. Bovendien werd het leger ondertussen weer snel opgebouwd en zo kwam het dat hij in een paar jaar tijd van kapitein de rangen naar kolonel had doorlopen. Na de inval in Polen, waar hij aan had deelgenomen, was hij vrij snel tot divisie generaal bevorderd en nu, nog geen jaar later, was Frankrijk al op haar knieën gedwongen. Een feit dat het hele Duitse volk vol bewondering had op doen zien naar die kleine Oostenrijkse schreeuwlelijk. Zelfs diens felste tegenstanders, de leden van de, overigens verboden, KPD, deden er het zwijgen toe. Het leven had hem ondertussen toe gelacht. Divisie generaal nu, met uitzicht op meer. Een mooie vrouw en een gelukkig gezin, fijne kinderen, misschien een kleinkind op komst. Marianne vermoedde het, zei ze, als ze naar Erica, hun oudste schoondochter keek. En dan nog eens een fraaie carrière in het fraaiste beroep dat hij kon bedenken!
Hij moest dus wel gelukkig zijn!