8.
Hoewel hij dus helemaal
gelukkig hoorde te zijn, knaagde er nog steeds wat in hem, diep van binnen. Niet
dat het heel vaak naar boven kwam, zo ook weer niet! Natuurlijk, hij was
gelukkig getrouwd en Marianne en hij hadden het goed samen, zowel in als buiten
het bed. Karl Gustav was een goede vlieger en een fijne, volwassen man geworden
en de meiden, Hertha en Trude, waren bezig om van giebelende bakvissen in mooie
en verantwoordelijke jonge vrouwen te veranderen. Hoewel beiden waren
aangesloten bij de BDM, was dat meer om hun baantjes zeker te stellen en niet
omdat ze achter die brallende “snorrewitz”, zoals Hertha de dictator altijd
noemde, aanliepen of ook maar iets van zijn brulpartijen of zogenaamde
beloftes voor waar aannamen.
Nee, dat was het niet
wat aan hem knaagde. De rare geschiedenis met het roze zakdoekje en de droom
die daar kennelijk bij hoorde hadden hem nooit verlaten. Het stukje stof had
hij later gewassen en keurig opgeborgen in een envelop en in een hoek van zijn
bureau verborgen. Soms, in een leeg ogenblik, haalde hij het stukje stof nog
wel eens tevoorschijn en dan herinnerde hij zich de droom en de vrouw in die
droom alsof het gisteren was geweest. Weemoedig wist hij dan dat die vrouw, die
Louise Anne, de enige vrouw was waar hij zo diep van had gehouden. Er met
Maritte, zoals hij zijn vrouw liefkozend noemde, over praten had hij nooit
gedaan, hoewel het natuurlijk onzin was om te denken dat hij haar ontrouw was
of was geweest of iets dergelijks. Nee, als hij daar al over had gepraat zou
hij toch zijn liefde voor Louise Anne moeten opbiechten en dat wilde hij haar
niet aan doen. Hij wilde haar absoluut niet het idee geven dat ze zijn tweede
keus was. Bovendien, hoe kon hij haar, nee. Beter gezegd, hoe kon hij ooit iemand,
uitleggen dat hij verliefd was op een vrouw die hij nooit had gekend, nooit
gekend kon hebben. Maar, er waren nachten, als hij rustig naast Maritte lag en
haar adem hoorde, dat hij terug was in die vreemde tijd, waarvan hij bijna
zeker wist dat hij die daadwerkelijk beleefd had. Dat was ook een van de
redenen geweest om, na de snelle overwinning, een verzoek bij het hoofdkwartier
in te dienen om als Ortskommandant in Amiens gestationeerd te worden. Flers was
niet ver daar vandaan en hij zou zo vermoedelijk de tijd hebben om onderzoek te
gaan doen. De vragen en vermoedens over die droom, of misschien wel die tijd, intrigeerden hem al jaren! Dat was ook de reden van zijn vraag aan Heinrichs
geweest. Hij wilde uit laten zoeken of er wat bekend was over de geschiedenis
van Flers maar de onderofficier schrijver had slecht een heel summier pakketje
met informatie over het dorpje weten te vinden. Zeker, er was een kasteelruïne,
maar meer dan dat was er ook niet te vinden, vertelde hij. Hij las de
informatie nog eens door, terwijl hij langzaam en peinzend rookte. Hij werd
uit zijn gedachten opgeschrikt door een luitenant die hem saluerend voorbij
liep. Haastig groette hij terug en nam het besluit om zelf op onderzoek te
gaan. Met een verende tred liep hij terug naar zijn bevelspost.
De volgende
ochtend vroeg had hij zijn Kubelwagen al om acht uur besteld en zijn chauffeur
opdracht gegeven om naar Flers te rijden. De chauffeur startte de auto en reed
het niet al te grote stadje uit. Ze volgden de weg naar het dorpje Albert en
vandaar sloegen ze de richting van Bapaume in. Zijn chauffeur, een jonge Oostfries
die Otto Klein heette, neuriede, zachtjes, hij wist dat “zijn Generaal”, zoals
hij de man haast liefkozend noemde, geen liefhebber was van geluiden in de
ochtend, en zeker geen muzikale geluiden, een schlager en reed behendig over de
volle en drukke wegen. Hij haalde militaire transporten in, kroop tussen
allerlei colonnes door en voelde zich de koning van de weg. ‘Ik heb altijd al
de chauffeur van de generaal willen worden’, grijnsde de man, ‘door die vlag op
het spatbord krijgen we namelijk overal voorrang.’ Hij lachte om het jeugdige enthousiasme
van de boerenknul. ‘Ik kan je wel vertellen Otto, dat het hier vijfentwintig
jaar geleden helemaal niet zo vlot ging, ook al had je vijf generaals vaandels
op je wagen. Het was hier allemaal loopgraaf en vernieling, zo ver je kon
kijken.’ De chauffeur keek wat verwonderd achterom en hij vertelde nog wat
over die oorlog waar hij als jonge kerel in gevochten had. Bij Martinpuich
verlieten ze de doorgaande weg en reden door velden die met fraai gekleurde gewassen
begroeid waren en door kleine dorpjes verder naar Flers. Het dorpje, meer een
gehucht dan iets anders, er woonden nog geen 300 mensen, was ondertussen helemaal
herbouwd en zag er zelfs welvarend uit. Na wat vragen te hebben gesteld aan
voorbijgangers, kwamen ze bij de Impasse
Pauline, waaraan de ruïne moest liggen. Er was helemaal niets te zien van
dat wat op een kasteelruïne moest lijken. Er stonden geen brokstukken van
muren, er waren geen torens of zo meer te zien, er waren helemaal geen
bijgebouwen meer, kortom, er was niets meer. Heel vaag zag jij een verdieping
in het terrein, dat misschien kon duiden op een slotgracht die er ooit geweest
was. In de verte zag hij een bomenrij of misschien een bosrand waar hij, ooit? Misschien?
Met Louise Anne een heerlijke middag had doorgebracht.
Vlak voor het nu
bijna helemaal door onkruid en struiken overwoekerde terrein liet hij Otto de
wagen stoppen en pakte een pioniersschep uit het rek dat achter op het voertuig
was bevestigd. ‘Gaat U goud zoeken, Herr General?’ wilde Otto schertsend weten.
‘Nee, mijn jongen, ik ga een droom zoeken’, bromde hij. Hij baande zich een weg
door het kniehoge gewas en probeerde zich te oriënteren. Wat hij precies zocht
wist hij ook niet echt, maar iets, iets moest er zijn dat de herinnering aan
Louise Anne voor hem zou aantonen. Hj liep zoekend rond, keek en speurde en
uiteindelijk zag hij iets dat op een oud stuk kasteel leek. In een hoek van het
veld stuitte hij namelijk op een stukje muur, waarvan hij, opeens, met
klaarheid en met zekerheid wist, (hoe?, vroeg hij zich af) dat het een deel van
de muur van een van de stallen was geweest. Het was nauwelijks dertig
centimeter hoog en overgroeid met klimop en lange veldgewassen. Hij scharrelde
zonder hoop nog wat rond, zonder iets te vinden dat hem op een verder idee
bracht en liep dan toch maar verder. Zijn hoop was ondertussen al vervlogen om
nog eens iets te vinden dat hem zou kunnen helpen om naar de droom, nee de
waarheid, zei hij scherp in zich zelf, te kunnen onthullen. Opeens vond hij
iets dat op een oud en vaak betreden pad leek en hij besloot het te volgen.
Onder een oude en al jaren omgevallen boom vond hij wat hij zocht. Een zerk.
Hij schraapte met zijn schep zoveel mogelijk het onkruid en het vuil van jaren
weg en viel ontroerd op zijn knieën.
Het opschrift op
de zerk luidde:
Louise Anne de Broussier
Chateleine de Chateau de Flers
15 août 1780 – 16 septembre 1816
R.I.P.
Hij bleef een
tijd geknield zitten, terwijl de tranen over zijn wangen liepen. Dus toch, ze
had bestaan, zijn droom was geen droom geweest. Hij had eeen soort tweede leven
geleid, misschien? Maar wie was hij dan geweest, toen? Een cavalarie man, net
als hij nu was, maar dan 125 jaar geleden? Was hij een reincarnatie van, ja van
zich zelf misschien? En wie was zij dan geweest? Wie was zij geweest? Ze had
bestaan, dat bleek. Was zij dan zo maar een droom geweest? Had hij over haar
gelezen in een geschiedenisboek? Hij was overmand door raadselen.
Hij nam zijn
schep weer ter hand en, door een ingeving gedwongen, schraapte hij wat naast de
zerk verder. De schep trof weer een harde ondergrond. Een steen ook, maar eeen
stuk kleiner. Hij liet zich op zijn knieën vallen en groef met zijn handen de
grond en gevallen bladeren en de wortels van de kleine grafsteen weg.
Hij las en brak
nu in een heviger huilbui uit. Hier lag: “Gunther Broussier - von Dieteringen,
geboren: 15 augustus 1915, overleden: 16 september 1916.”
Zijn zoon!
Uit de Gazette d’
Arras, 18 september 1816
Naar nu bekend is geworden is
jongstleden woensdag, de 16e september het kasteel van Flers door
een bliksem inslag getroffen en geheel afgebrand. De kasteelvrouwe, Mme. Louise
Anne de Broussier en haar eenjarige zoontje zijn hierbij noodlottig omgekomen.
Zij had haar kasteel opengesteld voor gewonde soldaten van de bevrijdende
legers, maar er waren, op een jonge Rittmeister na, geen herstellenden meer
aanwezig. Over het lot van de Pruisische zieke is verder niets bekend. Het
personeel van het kasteel redde het vege lijf.
Mme. De Broussier en haar kind zullen
worden bijgezet in een graf op het terrein van het kasteel. Wat er met de
restanten van het slot gaat gebeuren is nog onzeker.
121116
Geen opmerkingen:
Een reactie posten