maandag 14 november 2016

Het aanzoek




4.

Hij bekeek de dikke envelop nieuwsgierig en voelde aan het pak, rook aan de zegel. en verbrak dan het zegel met de stempel van de Prins von Wahlstatt, zoals de oude houwdegen Blücher zich sinds het vorige jaar, na een succesvolle campagne, mocht noemen. De brief begon natuurlijk met de gebruikelijke plichtplegingen en er heel werd beleefd naar zijn gezondheid en die van de familie geïnformeerd. Zakelijker werd de brief in de latere alinea’s waarin hem werd medegedeeld dat hij, namens Koning Frederik Willem bevorderd werd tot majoor van de cavalerie en het commando kreeg over een bataljon, op het moment dat hij zich zou kunnen meldden voor de dienst. Het epistel eindigde met de hartelijkste en meest vriendelijke groeten en ook die aan de familie en was gedaan te daar en te dan en daarna kwam nog een onduidelijke krabbel en de forse haal waaruit hij de handtekening van de maarschalk meende te herkennen.
De brief bracht hem met beide benen op de grond. Majoor, een eigen bataljon! Dan kwam het kolonelschap natuurlijk ook al om de hoek en was de droom van de generaalsrang wel heel dicht bij! Zijn vader zou in de wolken zijn. Pa, die nu een positie in de Pruisische regering bekleedde, was zelf in zijn jonge jaren luitenant geweest en had zelf ook kanonvuur gehoord. Zijn familie stamde dan wel uit een  uit een oud adellijk geslacht maar er was nog nooit een generaal uit voortgekomen en het zou een enorme bekroning zijn op de eer van de familie die altijd trouw was geweest aan de koningen van Pruisen.
Zo dagdroomde hij nog even verder, terwijl hij ondertussen aangekleed was en de trap naar de eetzaal was afgelopen. Maar ja, die bevordering zou dan dus ook betekenen dat hij hier weg zou moeten. Dat hij zijn liefde zou moeten achter laten en wie weet voor hoeveel jaar? Want Napoleon mocht dan wel verslagen zijn, dat betekende nog helemaal niet dat er vrede was of kwam op het continent. Pruisen had al tientallen jaren strijd met de Oostenrijkers gevoerd over allerlei landstreken en provincies en hoewel beide landen nu uiteindelijke geallieerd waren, wilde dat nog niet zeggen dat er geen twisten meer tussen beide staten waren. Ook de Engelsen en de Russen, zelfs de Denen en de Hollanders, waren misschien wel de vijanden van morgen, dat zou zo maar kunnen gebeuren, want het streven van de Pruisische heersers was om hun land het meest toonaangevende van Europa te maken. Dat zou natuurlijk op verzet stuiten van al die landen, maar, zoals zijn vader altijd placht te zeggen: “Je kunt geen omelet bakken zonder een paar eieren te breken.”
En dat hij Louise niet wilde achterlaten was duidelijk, natuurlijk. Hij wilde met haar trouwen en wel zo gauw mogelijk. Maar, zei een stem in zijn geweten, je kent haar nauwelijks, man, denk toch na. Wil ze wel met jou trouwen? Ze heeft niets met oorlogen en het militaire leven. Zou ze wel een goede vrouw voor je kunnen zijn? Jij bent een Pruis. Hoe zouden je ouders het vinden als je met een Française zou willen trouwen? Een vijand van eeuwen en zeker nadat Bonaparte zoveel strijd en dood en geweld naar hun land had gebracht? Een schandaal zou het worden, natuurlijk. Zijn familie zou met de nek aangekeken worden, zou misschien vernederd worden. Ze zouden zomaar de risee van de stad kunnen zijn, omdat hij, als majoor van de cavalerie met een Française zou trouwen, hoewel ze natuurlijk wel van adellijke afkomst was.
Mijmerend en zwijgend at hij zijn ontbijt. Zijn wond herstelde zich overigens goed en ook zijn krachten namen gelukkig weer toe en de militaire arts die hem twee weken geleden nog had bezocht, had wel gedacht dat hij tegen de winter volledig hersteld zou zijn om weer dienst te doen.
Zijn oppasser, de trouwe Berlijner Lutz, ruimde zijn ontbijt spullen weg en bracht hem zijn jas. In zijn wat grove accent vroeg hij: “Mevrouw heeft gevraagd of U om tien uur wil rijden, kap’tein? Ik zal Uw paard gaan zadelen.” Hij keek de oude trouwe huzaar na. Ook nog een overlevende van Rocquencourt. Hij had Lutz onder zijn paard zien liggen, en had hem er onder vandaan getrokken, vlak voor hij zelf gewond raakte. De Fransman die hem de slag had gegeven had het overigens niet overleefd, daar had Lutz op zijn beurt weer voor gezorgd. Nog steeds in gedachten verdiept liep hij naar de stallen en zag dat Louise-Anne al gereed was om uit te gaan rijden. Ze zag er verrukkelijk uit in haar nauwsluitende lichtblauwe rijkostuum met halfhoge zwarte laarsjes en sporen. Ze droeg een zijden shawl die precies bij haar grijze ogen pastte. De stalknecht hielp haar opstijgen en hij werd door Lutz in het zadel geholpen. Dat ging wat moeizaam want de wond stak af en toe heel hinderlijk.
Louise gaf haar paard de sporen en, zoals hij al eerder ondervonden had, reed ze paard zoals ze de liefde bedreef en zoals ze discussieerde: met een onnoemelijke felheid. Hij was zelf een goed ruiter, natuurlijk, dat moest dat ook wel zijn in zijn vak, maar hij had niets van de natuurlijke gratie die een amazone als Louise had. Voor hem was rijden eigenlijk meer werken en dat met opperste concentratie. Het park rond het kasteel was niet al te groot en was ook een typische Franse kasteeltuin. Wat boomgroepen, een paar waterpartijen, fraaie heesters al la mode de Versailles, dat was het. Er was een achteruitgang met een hek dat uitkwam op de licht heuvelende velden en landerijen rond het minuscule dorpje Flers, waar misschien slechts 400 zielen woonden. Vroeger, toen de revolutie nog niet geweest was, hadden het dorp en haar bewoners in het geheel toebehoord aan de familie De Broussier, wiens voorouders hun adellijke titel tot in de veertiende eeuw konden terugvoeren. Ook het kasteel was al zo oud, maar was in de loop der eeuwen herhaalde malen herbouwd en uitgebreid. Het oude stamslot, een rechthoekige stenen verdedigingsplaats met twee vierkante hoektorens, was alleen nog te herkennen in de keldergewelven. De ouders van haar man, Louise was in de familie getrouwd, maar zijn kwam zelf uit het stadje Arras, hadden de zuiveringen van de revolutie ternauwernood overleefd en dat was meer doordat de bevolking van het dorpje alleen maar goeds te vertellen had gehad over de De Broussier’s. Niet dat er tijdens de revolutie veel naar het gewone volk geluisterd was, dat was wel dan wel weer zo, maar de magistraten van de provincie waren de familie van ouds goed gezind geweest en hadden hen de ergste vernederingen kunnen besparen. De Broussiers hadden, generaties lang, een goede band opgebouwd met hun pachters en hun boeren. Vaak waren ze, in slechte tijden, hun mensen, zoals ze dat noemden, bijgesprongen met geld en goederen en hadden vreemde tropen, die eeuwenlang moordend en plunderend door de landen zwierven, met vaste hand verwijderd en ervoor gezorgd dat de bevolking veilig bleef. Lers en haar omgeving was dus een voorspoedige streek gewest, door de eeuwen heen.

De rit werd in hoog tempo afgelegd, ze was mooi en hevig en bomen en velden vlogen voorbij. De Chatelaine gaf het tempo en de route aan en menige keer moest hij de pijn aan zijn arm verbijten als hij na weer een snelle manoeuvre van haar zijn paard opeens naar rechts of links moest laten zwenken of het, voor een sprong over een haag of een hek, moest aantrekken. Na een uur gaf zij het paard de ruimte om in stap over te gaan. Hij was natuurlijk wat achterop geraakt en haalde haar langzaam in. Er stond een kleine boomgroep langs de kant van de weg en zij leidde hen daar naar toe. Ze stapten af en lieten de paarden en in het gras onder de bomen grazen. Er lag een oude boomstam in het bosje en ze namen plaats. Hij zag dat ze wat treurig keek en vroeg wat er aan schortte. Aanvankelijk ontweek zei zijn blik, maar even later keek ze hem open aan.
“De brief, schatje”, zei ze wat droevig, “de brief, dat is wat er aan schort. Ik weet het al, denk ik. Je wordt teruggeroepen en je gaat weer die afgrijselijke oorlog in. Oh, bah, ik haat die oorlogen en ik haat die ruzies. Het heeft Pierre al van me genomen en het zal jou ook van me wegnemen. Vertel me, wanneer moet je weg?”
Hij zuchtte diep. “Ja, ik ben ook treurig Louise, maar het is inderdaad de brief. Ik wordt verwacht om zo snel mogelijk terug te keren naar het leger. Ik wordt bevorderd en krijg het bevel over een bataljon. Dat is een mooie kans voor me. Maar..” Ze begon tegen te sputteren en hij probeerde haar uit te leggen hoe zijn gevoelens waren voor haar. “Maar, ik houd van je. Zoveel als ik om jou geef heb ik nooit voor een vrouw gevoeld. Niet dat ik zoveel vrouwen heb gehad, maar ik weet dat ik niet zonder jou kan leven en daarom, Louise Anne, wil je met me trouwen?”  Ze reageerde als door een adder gebeten. “Jamais, jamais kan ik met je trouwen!”



Geen opmerkingen:

Een reactie posten