4.
Hij bekeek de
dikke envelop nieuwsgierig en voelde aan het pak, rook aan de zegel. en verbrak
dan het zegel met de stempel van de Prins von Wahlstatt, zoals de oude
houwdegen Blücher zich sinds het vorige jaar, na een succesvolle campagne, mocht
noemen. De brief begon natuurlijk met de gebruikelijke plichtplegingen en er heel
werd beleefd naar zijn gezondheid en die van de familie geïnformeerd.
Zakelijker werd de brief in de latere alinea’s waarin hem werd medegedeeld dat
hij, namens Koning Frederik Willem bevorderd werd tot majoor van de cavalerie
en het commando kreeg over een bataljon, op het moment dat hij zich zou kunnen meldden
voor de dienst. Het epistel eindigde met de hartelijkste en meest vriendelijke
groeten en ook die aan de familie en was gedaan te daar en te dan en daarna
kwam nog een onduidelijke krabbel en de forse haal waaruit hij de handtekening
van de maarschalk meende te herkennen.
De brief bracht
hem met beide benen op de grond. Majoor, een eigen bataljon! Dan kwam het kolonelschap
natuurlijk ook al om de hoek en was de droom van de generaalsrang wel heel
dicht bij! Zijn vader zou in de wolken zijn. Pa, die nu een positie in de Pruisische
regering bekleedde, was zelf in zijn jonge jaren luitenant geweest en had zelf
ook kanonvuur gehoord. Zijn familie stamde dan wel uit een uit een oud adellijk geslacht maar er was nog
nooit een generaal uit voortgekomen en het zou een enorme bekroning zijn op de
eer van de familie die altijd trouw was geweest aan de koningen van Pruisen.
Zo dagdroomde hij
nog even verder, terwijl hij ondertussen aangekleed was en de trap naar de
eetzaal was afgelopen. Maar ja, die bevordering zou dan dus ook betekenen dat
hij hier weg zou moeten. Dat hij zijn liefde zou moeten achter laten en wie
weet voor hoeveel jaar? Want Napoleon mocht dan wel verslagen zijn, dat
betekende nog helemaal niet dat er vrede was of kwam op het continent. Pruisen
had al tientallen jaren strijd met de Oostenrijkers gevoerd over allerlei
landstreken en provincies en hoewel beide landen nu uiteindelijke geallieerd
waren, wilde dat nog niet zeggen dat er geen twisten meer tussen beide staten
waren. Ook de Engelsen en de Russen, zelfs de Denen en de Hollanders, waren
misschien wel de vijanden van morgen, dat zou zo maar kunnen gebeuren, want het
streven van de Pruisische heersers was om hun land het meest toonaangevende van
Europa te maken. Dat zou natuurlijk op verzet stuiten van al die landen, maar,
zoals zijn vader altijd placht te zeggen: “Je kunt geen omelet bakken zonder
een paar eieren te breken.”
En dat hij Louise
niet wilde achterlaten was duidelijk, natuurlijk. Hij wilde met haar trouwen en
wel zo gauw mogelijk. Maar, zei een stem in zijn geweten, je kent haar
nauwelijks, man, denk toch na. Wil ze wel met jou trouwen? Ze heeft niets met
oorlogen en het militaire leven. Zou ze wel een goede vrouw voor je kunnen
zijn? Jij bent een Pruis. Hoe zouden je ouders het vinden als je met een
Française zou willen trouwen? Een vijand van eeuwen en zeker nadat Bonaparte
zoveel strijd en dood en geweld naar hun land had gebracht? Een schandaal zou
het worden, natuurlijk. Zijn familie zou met de nek aangekeken worden, zou
misschien vernederd worden. Ze zouden zomaar de risee van de stad kunnen zijn,
omdat hij, als majoor van de cavalerie met een Française zou trouwen, hoewel ze
natuurlijk wel van adellijke afkomst was.
Mijmerend en
zwijgend at hij zijn ontbijt. Zijn wond herstelde zich overigens goed en ook
zijn krachten namen gelukkig weer toe en de militaire arts die hem twee weken
geleden nog had bezocht, had wel gedacht dat hij tegen de winter volledig
hersteld zou zijn om weer dienst te doen.
Zijn oppasser, de
trouwe Berlijner Lutz, ruimde zijn ontbijt spullen weg en bracht hem zijn jas. In
zijn wat grove accent vroeg hij: “Mevrouw heeft gevraagd of U om tien uur wil
rijden, kap’tein? Ik zal Uw paard gaan zadelen.” Hij keek de oude trouwe huzaar
na. Ook nog een overlevende van Rocquencourt. Hij had Lutz onder zijn paard
zien liggen, en had hem er onder vandaan getrokken, vlak voor hij zelf gewond
raakte. De Fransman die hem de slag had gegeven had het overigens niet
overleefd, daar had Lutz op zijn beurt weer voor gezorgd. Nog steeds in
gedachten verdiept liep hij naar de stallen en zag dat Louise-Anne al gereed
was om uit te gaan rijden. Ze zag er verrukkelijk uit in haar nauwsluitende
lichtblauwe rijkostuum met halfhoge zwarte laarsjes en sporen. Ze droeg een
zijden shawl die precies bij haar grijze ogen pastte. De stalknecht hielp haar
opstijgen en hij werd door Lutz in het zadel geholpen. Dat ging wat moeizaam
want de wond stak af en toe heel hinderlijk.
Louise gaf haar
paard de sporen en, zoals hij al eerder ondervonden had, reed ze paard zoals ze
de liefde bedreef en zoals ze discussieerde: met een onnoemelijke felheid. Hij
was zelf een goed ruiter, natuurlijk, dat moest dat ook wel zijn in zijn vak,
maar hij had niets van de natuurlijke gratie die een amazone als Louise had.
Voor hem was rijden eigenlijk meer werken en dat met opperste concentratie. Het
park rond het kasteel was niet al te groot en was ook een typische Franse
kasteeltuin. Wat boomgroepen, een paar waterpartijen, fraaie heesters al la
mode de Versailles, dat was het. Er was een achteruitgang met een hek dat
uitkwam op de licht heuvelende velden en landerijen rond het minuscule dorpje
Flers, waar misschien slechts 400 zielen woonden. Vroeger, toen de revolutie
nog niet geweest was, hadden het dorp en haar bewoners in het geheel toebehoord
aan de familie De Broussier, wiens voorouders hun adellijke titel tot in de
veertiende eeuw konden terugvoeren. Ook het kasteel was al zo oud, maar was in
de loop der eeuwen herhaalde malen herbouwd en uitgebreid. Het oude stamslot,
een rechthoekige stenen verdedigingsplaats met twee vierkante hoektorens, was
alleen nog te herkennen in de keldergewelven. De ouders van haar man, Louise was
in de familie getrouwd, maar zijn kwam zelf uit het stadje Arras, hadden de
zuiveringen van de revolutie ternauwernood overleefd en dat was meer doordat de
bevolking van het dorpje alleen maar goeds te vertellen had gehad over de De
Broussier’s. Niet dat er tijdens de revolutie veel naar het gewone volk geluisterd
was, dat was wel dan wel weer zo, maar de magistraten van de provincie waren de
familie van ouds goed gezind geweest en hadden hen de ergste vernederingen
kunnen besparen. De Broussiers hadden, generaties lang, een goede band
opgebouwd met hun pachters en hun boeren. Vaak waren ze, in slechte tijden, hun
mensen, zoals ze dat noemden, bijgesprongen met geld en goederen en hadden
vreemde tropen, die eeuwenlang moordend en plunderend door de landen zwierven,
met vaste hand verwijderd en ervoor gezorgd dat de bevolking veilig bleef. Lers
en haar omgeving was dus een voorspoedige streek gewest, door de eeuwen heen.
De rit werd in
hoog tempo afgelegd, ze was mooi en hevig en bomen en velden vlogen voorbij. De
Chatelaine gaf het tempo en de route aan en menige keer moest hij de pijn aan
zijn arm verbijten als hij na weer een snelle manoeuvre van haar zijn paard opeens
naar rechts of links moest laten zwenken of het, voor een sprong over een haag
of een hek, moest aantrekken. Na een uur gaf zij het paard de ruimte om in stap
over te gaan. Hij was natuurlijk wat achterop geraakt en haalde haar langzaam
in. Er stond een kleine boomgroep langs de kant van de weg en zij leidde hen
daar naar toe. Ze stapten af en lieten de paarden en in het gras onder de bomen
grazen. Er lag een oude boomstam in het bosje en ze namen plaats. Hij zag dat
ze wat treurig keek en vroeg wat er aan schortte. Aanvankelijk ontweek zei zijn
blik, maar even later keek ze hem open aan.
“De brief,
schatje”, zei ze wat droevig, “de brief, dat is wat er aan schort. Ik weet het
al, denk ik. Je wordt teruggeroepen en je gaat weer die afgrijselijke oorlog in.
Oh, bah, ik haat die oorlogen en ik haat die ruzies. Het heeft Pierre al van me
genomen en het zal jou ook van me wegnemen. Vertel me, wanneer moet je weg?”
Hij zuchtte diep.
“Ja, ik ben ook treurig Louise, maar het is inderdaad de brief. Ik wordt verwacht
om zo snel mogelijk terug te keren naar het leger. Ik wordt bevorderd en krijg
het bevel over een bataljon. Dat is een mooie kans voor me. Maar..” Ze begon
tegen te sputteren en hij probeerde haar uit te leggen hoe zijn gevoelens waren
voor haar. “Maar, ik houd van je. Zoveel als ik om jou geef heb ik nooit voor
een vrouw gevoeld. Niet dat ik zoveel vrouwen heb gehad, maar ik weet dat ik
niet zonder jou kan leven en daarom, Louise Anne, wil je met me trouwen?” Ze reageerde als door een adder gebeten. “Jamais,
jamais kan ik met je trouwen!”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten