7.
De zomer van ’40
was een van de fraaiste zomers in jaren. Ook het voorjaar was geweldig geweest.
Droog en zonnig. Het was eigenlijk vanaf mei al maanden lang droog geweest en
dat beloofde voor later veel goede oogsten. Al de graanvelden stonden er goed
bij met veel rijpend gewas dat goudgeel straalde onder de zon. Ook de
wijngaarden stonden nu al vol dikke trossen die wachtten om geoogst te worden,
straks in oktober en die een goed wijnjaar beloofden.
Dat fraaie
voorjaarsweer was ook in het voordeel van de invallende Duitse legers geweest,
die als het ware op herhaling gingen in dat land, tweeëntwintig jaar na hun niet
eens zo smadelijke terugtocht uit de hel van de slagvelden van Noord Frankrijk.
“General Oberst” Heinz Guderian, de “uitvinder” van de Blitzkrieg, had het
Duitse tankwapen ontwikkeld tot in de perfectie. Dat Duitse tankwapen had de
Fransen en de Belgen overweldigd in de bossen en heuvels van de Ardennen, had
hen achtervolgd over de noord Franse laagvlakte en had die legers vernederd en
hen tot een oneerbare capitulatie gedwongen. Ook de Britten, met hun BEF, de British Expeditionary Force, hadden zich
ternauwernood in veiligheid kunnen brengen door het zogenaamde wonder van Duinkerken.
Nu ja, geen zogenaamd wonder. Het was een wonder en een duidelijk signaal van
de Britten aan de rest van de wereld dat zij zich niet naar de slachtbank
lieten leiden. Het was een wonder en een historische gebeurtenis, dat, ook bij
de Duitsers, groot respect verdiende.
Maar de manier
waarop ze uit die val van Duinkerken hadden kunnen ontsnappen was voor hem nog
steeds een groot raadsel. Waarom had Hitler zijn tanks halt laten houden, vlak
voor dat ze de Engelsen in hadden kunnen sluiten, tot de laatste man hadden
kunnen gevangen nemen en zo de Britten tot overgave hadden kunnen dwingen?
Men fluisterde
dat hij, Hitler, zo Churchill wilde dwingen om een vernederende vrede te
sluiten zodat Duitsland dan een vijand minder zou hebben. Hitler zou dan in de
rug gedekt zijn en de man zou zich dus helemaal kunnen gaan wenden naar het
oostfront Het oostfront, de strijd tegen het bolsjewisme, iets waar hij het in zijn
vreselijke en nauwelijks leesbare boek al steeds over had. Hij zou dan, in zijn
wazige gedachten, daarbij welwillend gadegeslagen worden door zowel de Britten
als de Amerikanen. Met de Engelsen eenmaal aan de zijlijn zouden de Yanks zich dan
natuurlijk ook verder niet met de oorlog bemoeien en kon de kleine “Gefreite”
zich dus helemaal richten op zijn grote droom, namelijk om het Russische gevaar
de kop in te slaan en het bolsjewisme uit te roeien.
Maar die verrekte
sigaren rokende en, als in een obsceen gebaar, twee van zijn vingers opstekende
alcoholist di Churchill was, was daar niet op in gegaan en had zijn volk: “blood, toil, tears, and
sweat”, (bloed en strijd
en zweet en tranen) beloofd. Nou dat konden ze dan krijgen, want het meest
succesvolle leger in de geschiedenis ooit, was toch wel dit overwinnende Duitse
leger. Hij stak een sigaartje op, blies de rook genietend uit en schudde zijn
hoofd om de domheid van Churchill. Het moest toch zelfs bij die decadente adellijke Engelsman wel duidelijk zijn dat zijn land aan het einde van haar
bestaan was? Maar God ja, aan de andere kant had hij natuurlijk jaren tegen de
Engelsen gevochten en wist dat het tegenstanders van formaat waren.
Hij stapte uit de
Kubelwagen die hem terugbracht van een inspectieronde langs de troepen in de
buurt van Amiens, klopte het stof van zijn kleding en liep de “Ortskommandatur”
binnen. Deze was gevestigd in de voormalige Mairie, het gemeentehuis, van de
stad, aan de Rue des Jacobins. De schildwachten die aan beide zijden van de
toegangsdeur geposteerd waren, presenteerden met Duitse precisie, het geweer en
hij gaf de militaire groet terug. Hij was wel al helemaal geen lid van de
partij en hij vond de malligheid van het met gestrekte armen naar de hemel
staan te wijzen ook niet passen in zijn militaire structuur.
Binnen stond de
kleine Majoor administrateur Heinrichs al op hem te wachten met een tas vol
papieren. ‘Goede morgen Herr General, ik hoop dat alles naar wens was tijdens
de inspectie?’ ‘Oh ja, oh ja, Heinrichs, alles naar wens. De troepen zijn in
opperbeste stemming natuurlijk. Wat wil je. Verlof voor de mannen, Wein, Weib
und Gesang na de Franse nederlaag, ja. Logisch dat ze goed gezind zijn. Goed,
heb je tekenpost? Leg maar op mijn bureau, dan kijk ik er straks naar. Oh ja,
heb je nog kunnen vinden wat ik zocht?’
‘Jawohl, Herr
General, maar eigenlijk was het de onderofficier schrijver die het voor me
heeft op kunnen zoeken. Hij heeft de map met gegevens in uw privé vertrekken gelegd.
Ik hoop dat dat goed was?’ ‘Bestens, Mann, bestens, kom we gaan eraan
beginnen.’ De verdere dag verliep met dodelijk saaie, maar in het Derde rijk
bitter noodzakelijke administratieve zaken. Hij tekende papieren over
inkwartieringen, over brandstof- en voedselverbruik. Over verbruik en aanschaf
van kleding en schoeisel. Hij las over munitie verbruik en het verbruik van toiletpapier
en van noodrantsoenen. Hij las wat
strafzaken na die begaan waren door soldaten onder zijn bevel. Een zaak schoof
hij door naar de hogere rechtbank. Een soldaat had zich strafbaar gemaakt door dat
hij een verkrachting had gepleegd. Hij las het dossier nauwgezet door en gaf
als zijn mening dat de man zich schuldig had gemaakt aan een oorlogsmisdaad en
de zwaarste straf diende te verdienen die er was, de dood door de kogel.
Na een late lunch
op zijn hoofdkwartier, met enkele kolonels en hun aide d’ camps, had hij de late
namiddag voor zich zelf. Hij besloot een wandeling te maken door het stadje dat
hij nog van jaren her kende. Amiens was in die oorlog helemaal verwoest
geweest, maar was deze keer wonder boven wonder gespaard gebleven van totale
vernietiging. Wel zag hij hier en daar herbouwde panden in een stijl die
duidelijk jonger was dan die van de omringende gebouwen, maar al met al was de
stad redelijk gaaf gebleven. Hij liep de Rue des Jacobins uit en sloeg
vervolgens de Rue Lamartine in, die hij volgde tot hij bij de Port d’ Amont
kwam. Daar liep hij de vrij steile brug op en bleef een tijd naar de Somme
staren, de rivier die het stadje doorkruiste. Zijn gedachten gingen terug naar
de jaren die tussen de slag aan de Somme en nu in waren vergleden.
Na zijn
verwonding was hij, zoals Nonkel Paul al had gezegd, inderdaad naar huis
gestuurd. Hij had nog wel een paar maanden in een militair ziekenhuis moeten
herstellen, maar dat was, door de steun van zijn familie, prima verlopen en hij
had bijna de volledige functie van zijn arm terug gekregen. Hij had daar ook
Marianne ontmoet, een slanke blonde en blauwogige verpleegster en een dochter
van een Geheimrat. Ze waren nog voor het einde van zijn ziekteverlof getrouwd
maar hij was niet teruggekeerd naar het front, in elk geval niet als
infanterist. Nadat hij de wrede oorlogsmachines in actie had gezien, had hij
begrepen dat dat het nieuwe wapen voor de toekomst zou worden. Het Duitse leger
had zo een wapen buitgemaakt, gekopieerd en verbeterd. Hij had zich opgegeven
voor het nieuw opgerichte ‘Panzer kompagnie’ en was aan het einde van 1917 als
commandant van een grove en onhandige en vooral trage A7V, de ‘Thius’, zoals
het wapen genoemd was, teruggegaan naar het front. Veel actie hadden ze niet
gezien. De oorlog was voor hem en zijn mensen dus verder vrij rustig verlopen en
na de wapenstilstand was hij, uit eigen keuze, aangebleven in het leger, dat,
na de vredesbepalingen, nog maar uit 10.000 man mocht bestaan. De jaren na de
oorlog waren moeilijk, zwaar en arm geweest, maar samen met Marianne hadden ze
zich er aardig doorheen geslagen. Hij had zijn salaris gehad, Marianne kwam uit
een niet onbemiddeld gezin en ook de inflatie hadden ze kunnen doorstaan.
Marianne en hij hadden drie kinderen gekregen, waarvan de oudste, Karl Gustav,
nu bij de luchtmacht diende en momenteel werd ingezet in de Balkan. Hij zelf had
aanvankelijk slechts heel traag carrière gemaakt, zoals al zijn mede officieren
en hij was, samen met onder andere Heinz Guderian, een tijd in de Sovjet Unie
geweest, waar ze hun nieuwste tanks in het geheim konden uittesten.
Een schendig van
het verdrag van Versailles, had het geheten, maar zij hadden zich
gerechtvaardigd gevoeld om dat te doen omdat het Duitse volk leeggezogen werd
door de afgrijselijke herstelbetalingen waar voornamelijk de Fransen op aan
hadden aangedrongen. Toen de Weimar republiek in stortte had hij een tijd in
dubio gestaan over zijn loyaliteit. Goed, de nieuwe leider van het Duitse volk,
de man die hij zich eigenlijk nog maar heel vaag herinnerde uit de slag aan de
Somme, (de man had zich destijds als loper Hiedler genoemd of zo) had het volk
en het land er aardig bovenop weten te krijgen maar de politieke invulling van
diens regering strookte in het geheel niet met zijn meningen en opvattingen. Hij
geloofde meer in de kracht van de democratie en van de mening van het volk dan
dat van een enkele verdwaasde schilder uit Wenen.
Toen dan ook nog
eens de wetten tegen allerlei minderheden zoals Joden en Zigeuners werden
uitgevaardigd, toen er in het openbaar boeken werden verbrand en mensen werden
vermoord die niet de mening van de megalomane man die het Rijk bestuurde
aanhingen, had hij op het punt gestaan om uit het leger te stappen, maar zijn
vrouw had het helemaal terecht overigens, had hem liefjes gevraagd waar ze dan wel
van moesten leven. Bovendien werd het leger ondertussen weer snel opgebouwd en
zo kwam het dat hij in een paar jaar tijd van kapitein de rangen naar kolonel
had doorlopen. Na de inval in Polen, waar hij aan had deelgenomen, was hij vrij
snel tot divisie generaal bevorderd en nu, nog geen jaar later, was Frankrijk
al op haar knieën gedwongen. Een feit dat het hele Duitse volk vol bewondering
had op doen zien naar die kleine Oostenrijkse schreeuwlelijk. Zelfs diens
felste tegenstanders, de leden van de, overigens verboden, KPD, deden er het
zwijgen toe. Het leven had hem ondertussen toe gelacht. Divisie generaal nu, met
uitzicht op meer. Een mooie vrouw en een gelukkig gezin, fijne kinderen,
misschien een kleinkind op komst. Marianne vermoedde het, zei ze, als ze naar
Erica, hun oudste schoondochter keek. En dan nog eens een fraaie carrière in het fraaiste beroep dat hij kon bedenken!
Hij moest dus wel
gelukkig zijn!
Geen opmerkingen:
Een reactie posten