zondag 20 november 2016

De Generaal





7.

De zomer van ’40 was een van de fraaiste zomers in jaren. Ook het voorjaar was geweldig geweest. Droog en zonnig. Het was eigenlijk vanaf mei al maanden lang droog geweest en dat beloofde voor later veel goede oogsten. Al de graanvelden stonden er goed bij met veel rijpend gewas dat goudgeel straalde onder de zon. Ook de wijngaarden stonden nu al vol dikke trossen die wachtten om geoogst te worden, straks in oktober en die een goed wijnjaar beloofden.
Dat fraaie voorjaarsweer was ook in het voordeel van de invallende Duitse legers geweest, die als het ware op herhaling gingen in dat land, tweeëntwintig jaar na hun niet eens zo smadelijke terugtocht uit de hel van de slagvelden van Noord Frankrijk. “General Oberst” Heinz Guderian, de “uitvinder” van de Blitzkrieg, had het Duitse tankwapen ontwikkeld tot in de perfectie. Dat Duitse tankwapen had de Fransen en de Belgen overweldigd in de bossen en heuvels van de Ardennen, had hen achtervolgd over de noord Franse laagvlakte en had die legers vernederd en hen tot een oneerbare capitulatie gedwongen. Ook de Britten, met hun BEF, de British Expeditionary Force, hadden zich ternauwernood in veiligheid kunnen brengen door het zogenaamde wonder van Duinkerken. Nu ja, geen zogenaamd wonder. Het was een wonder en een duidelijk signaal van de Britten aan de rest van de wereld dat zij zich niet naar de slachtbank lieten leiden. Het was een wonder en een historische gebeurtenis, dat, ook bij de Duitsers, groot respect verdiende.
Maar de manier waarop ze uit die val van Duinkerken hadden kunnen ontsnappen was voor hem nog steeds een groot raadsel. Waarom had Hitler zijn tanks halt laten houden, vlak voor dat ze de Engelsen in hadden kunnen sluiten, tot de laatste man hadden kunnen gevangen nemen en zo de Britten tot overgave hadden kunnen dwingen?
Men fluisterde dat hij, Hitler, zo Churchill wilde dwingen om een vernederende vrede te sluiten zodat Duitsland dan een vijand minder zou hebben. Hitler zou dan in de rug gedekt zijn en de man zou zich dus helemaal kunnen gaan wenden naar het oostfront Het oostfront, de strijd tegen het bolsjewisme, iets waar hij het in zijn vreselijke en nauwelijks leesbare boek al steeds over had. Hij zou dan, in zijn wazige gedachten, daarbij welwillend gadegeslagen worden door zowel de Britten als de Amerikanen. Met de Engelsen eenmaal aan de zijlijn zouden de Yanks zich dan natuurlijk ook verder niet met de oorlog bemoeien en kon de kleine “Gefreite” zich dus helemaal richten op zijn grote droom, namelijk om het Russische gevaar de kop in te slaan en het bolsjewisme uit te roeien.
Maar die verrekte sigaren rokende en, als in een obsceen gebaar, twee van zijn vingers opstekende alcoholist di Churchill was, was daar niet op in gegaan en had zijn volk: “blood, toil, tears, and sweat”, (bloed en strijd en zweet en tranen) beloofd. Nou dat konden ze dan krijgen, want het meest succesvolle leger in de geschiedenis ooit, was toch wel dit overwinnende Duitse leger. Hij stak een sigaartje op, blies de rook genietend uit en schudde zijn hoofd om de domheid van Churchill. Het moest toch zelfs bij die decadente adellijke Engelsman wel duidelijk zijn dat zijn land aan het einde van haar bestaan was? Maar God ja, aan de andere kant had hij natuurlijk jaren tegen de Engelsen gevochten en wist dat het tegenstanders van formaat waren.
Hij stapte uit de Kubelwagen die hem terugbracht van een inspectieronde langs de troepen in de buurt van Amiens, klopte het stof van zijn kleding en liep de “Ortskommandatur” binnen. Deze was gevestigd in de voormalige Mairie, het gemeentehuis, van de stad, aan de Rue des Jacobins. De schildwachten die aan beide zijden van de toegangsdeur geposteerd waren, presenteerden met Duitse precisie, het geweer en hij gaf de militaire groet terug. Hij was wel al helemaal geen lid van de partij en hij vond de malligheid van het met gestrekte armen naar de hemel staan te wijzen ook niet passen in zijn militaire structuur.
Binnen stond de kleine Majoor administrateur Heinrichs al op hem te wachten met een tas vol papieren. ‘Goede morgen Herr General, ik hoop dat alles naar wens was tijdens de inspectie?’ ‘Oh ja, oh ja, Heinrichs, alles naar wens. De troepen zijn in opperbeste stemming natuurlijk. Wat wil je. Verlof voor de mannen, Wein, Weib und Gesang na de Franse nederlaag, ja. Logisch dat ze goed gezind zijn. Goed, heb je tekenpost? Leg maar op mijn bureau, dan kijk ik er straks naar. Oh ja, heb je nog kunnen vinden wat ik zocht?’
‘Jawohl, Herr General, maar eigenlijk was het de onderofficier schrijver die het voor me heeft op kunnen zoeken. Hij heeft de map met gegevens in uw privé vertrekken gelegd. Ik hoop dat dat goed was?’ ‘Bestens, Mann, bestens, kom we gaan eraan beginnen.’ De verdere dag verliep met dodelijk saaie, maar in het Derde rijk bitter noodzakelijke administratieve zaken. Hij tekende papieren over inkwartieringen, over brandstof- en voedselverbruik. Over verbruik en aanschaf van kleding en schoeisel. Hij las over munitie verbruik en het verbruik van toiletpapier en van noodrantsoenen. Hij las wat strafzaken na die begaan waren door soldaten onder zijn bevel. Een zaak schoof hij door naar de hogere rechtbank. Een soldaat had zich strafbaar gemaakt door dat hij een verkrachting had gepleegd. Hij las het dossier nauwgezet door en gaf als zijn mening dat de man zich schuldig had gemaakt aan een oorlogsmisdaad en de zwaarste straf diende te verdienen die er was, de dood door de kogel.
Na een late lunch op zijn hoofdkwartier, met enkele kolonels en hun aide d’ camps, had hij de late namiddag voor zich zelf. Hij besloot een wandeling te maken door het stadje dat hij nog van jaren her kende. Amiens was in die oorlog helemaal verwoest geweest, maar was deze keer wonder boven wonder gespaard gebleven van totale vernietiging. Wel zag hij hier en daar herbouwde panden in een stijl die duidelijk jonger was dan die van de omringende gebouwen, maar al met al was de stad redelijk gaaf gebleven. Hij liep de Rue des Jacobins uit en sloeg vervolgens de Rue Lamartine in, die hij volgde tot hij bij de Port d’ Amont kwam. Daar liep hij de vrij steile brug op en bleef een tijd naar de Somme staren, de rivier die het stadje doorkruiste. Zijn gedachten gingen terug naar de jaren die tussen de slag aan de Somme en nu in waren vergleden.

Na zijn verwonding was hij, zoals Nonkel Paul al had gezegd, inderdaad naar huis gestuurd. Hij had nog wel een paar maanden in een militair ziekenhuis moeten herstellen, maar dat was, door de steun van zijn familie, prima verlopen en hij had bijna de volledige functie van zijn arm terug gekregen. Hij had daar ook Marianne ontmoet, een slanke blonde en blauwogige verpleegster en een dochter van een Geheimrat. Ze waren nog voor het einde van zijn ziekteverlof getrouwd maar hij was niet teruggekeerd naar het front, in elk geval niet als infanterist. Nadat hij de wrede oorlogsmachines in actie had gezien, had hij begrepen dat dat het nieuwe wapen voor de toekomst zou worden. Het Duitse leger had zo een wapen buitgemaakt, gekopieerd en verbeterd. Hij had zich opgegeven voor het nieuw opgerichte ‘Panzer kompagnie’ en was aan het einde van 1917 als commandant van een grove en onhandige en vooral trage A7V, de ‘Thius’, zoals het wapen genoemd was, teruggegaan naar het front. Veel actie hadden ze niet gezien. De oorlog was voor hem en zijn mensen dus verder vrij rustig verlopen en na de wapenstilstand was hij, uit eigen keuze, aangebleven in het leger, dat, na de vredesbepalingen, nog maar uit 10.000 man mocht bestaan. De jaren na de oorlog waren moeilijk, zwaar en arm geweest, maar samen met Marianne hadden ze zich er aardig doorheen geslagen. Hij had zijn salaris gehad, Marianne kwam uit een niet onbemiddeld gezin en ook de inflatie hadden ze kunnen doorstaan. Marianne en hij hadden drie kinderen gekregen, waarvan de oudste, Karl Gustav, nu bij de luchtmacht diende en momenteel werd ingezet in de Balkan. Hij zelf had aanvankelijk slechts heel traag carrière gemaakt, zoals al zijn mede officieren en hij was, samen met onder andere Heinz Guderian, een tijd in de Sovjet Unie geweest, waar ze hun nieuwste tanks in het geheim konden uittesten.
Een schendig van het verdrag van Versailles, had het geheten, maar zij hadden zich gerechtvaardigd gevoeld om dat te doen omdat het Duitse volk leeggezogen werd door de afgrijselijke herstelbetalingen waar voornamelijk de Fransen op aan hadden aangedrongen. Toen de Weimar republiek in stortte had hij een tijd in dubio gestaan over zijn loyaliteit. Goed, de nieuwe leider van het Duitse volk, de man die hij zich eigenlijk nog maar heel vaag herinnerde uit de slag aan de Somme, (de man had zich destijds als loper Hiedler genoemd of zo) had het volk en het land er aardig bovenop weten te krijgen maar de politieke invulling van diens regering strookte in het geheel niet met zijn meningen en opvattingen. Hij geloofde meer in de kracht van de democratie en van de mening van het volk dan dat van een enkele verdwaasde schilder uit Wenen.
Toen dan ook nog eens de wetten tegen allerlei minderheden zoals Joden en Zigeuners werden uitgevaardigd, toen er in het openbaar boeken werden verbrand en mensen werden vermoord die niet de mening van de megalomane man die het Rijk bestuurde aanhingen, had hij op het punt gestaan om uit het leger te stappen, maar zijn vrouw had het helemaal terecht overigens, had hem liefjes gevraagd waar ze dan wel van moesten leven. Bovendien werd het leger ondertussen weer snel opgebouwd en zo kwam het dat hij in een paar jaar tijd van kapitein de rangen naar kolonel had doorlopen. Na de inval in Polen, waar hij aan had deelgenomen, was hij vrij snel tot divisie generaal bevorderd en nu, nog geen jaar later, was Frankrijk al op haar knieën gedwongen. Een feit dat het hele Duitse volk vol bewondering had op doen zien naar die kleine Oostenrijkse schreeuwlelijk. Zelfs diens felste tegenstanders, de leden van de, overigens verboden, KPD, deden er het zwijgen toe. Het leven had hem ondertussen toe gelacht. Divisie generaal nu, met uitzicht op meer. Een mooie vrouw en een gelukkig gezin, fijne kinderen, misschien een kleinkind op komst. Marianne vermoedde het, zei ze, als ze naar Erica, hun oudste schoondochter keek. En dan nog eens een fraaie carrière in het fraaiste beroep dat hij kon bedenken!
Hij moest dus wel gelukkig zijn!







Geen opmerkingen:

Een reactie posten