vrijdag 18 november 2016

Het slagveld




6.

Hij zag die hele veldslag bijna weer voor zich. Hij vertelde verder: ‘In de verwarring die, na het aantreden van de Pruisen van Blücher op hun flank, daardoor bij de Franse legers ontstond werd ons de tijd gegeven om ons te hergroeperen en ook nog eens een tegenaanval op te zetten. De oude maarschalk zelf ging voor in die strijd. Tegen het vallen van de avond zette Napoleon uiteindelijk zijn Oude Garde in en die verdreven ons vrij snel uit onze posities. We waren na vijf uur vechten natuurlijk volledig uitgeput maar Blücher wilde absoluut nog een flankaanval wagen. Hij werd echter van zijn paard geschoten en het heeft uren geduurd voor wij hem vonden. Hij lag onder zijn knol, namelijk. Gneisenau nam toen tijdelijk het bevel over en we moesten uiteindelijk wel terugtrekken op Tilly, een plaatsje iets ten noordwesten van de Franse linies. Dat was goed gedacht van Von Gneisenau, want zo zou Wellington ons nog te hulp kunnen komen, wat natuurlijk niet mogelijk was geweest als we naar het oosten waren getrokken. Gelukkig werd de oude maarschalk, hij was al 72 moet je weten, rond middernacht gevonden en hij nam het bevel meteen weer over. We werden ook niet achtervolgd, want de Fransen hadden het idee dat wel wel naar het oosten waren getrokken. Maar goed, er waren veel schermutselingen over en weer. De cavalarie van beide kanten trokken op en af en ja, twee dagen later vochten we bij Waterloo. Ondertussen waren wel al 8000 van onze infanteristen overgelopen of gevlucht. Maar ja, dat waren geen echte Pruisen, natuurlijk!’
Hij schudde zijn hoofd en rilde bij al de vreselijke herinneringen die als een vloedgolf door hem heen trokken. Weer zag hij de lange linies van soldaten voor zich die optrokken naar de vijand, hoorde hij het gillen van mensen en paarden in doodsnood, mannen die om hun “Mutter”, “Mum” of hun “Maman” gilden, het dreunen van kanonnen, het geluid van kogels die in lichamen inslaan of van projectielen die hele groepen mannen tegelijk afmaken.
Zij legde haar kleine, tere hand op de zijne en leek wat te willen gaan zeggen maar hij schudde zijn hoofd, hernam zich en ging verder: ‘En twee dagen later kwam dan uiteindelijk Waterloo. Wat me van die dag het meeste bijstaat is de eindeloze regen die maar door bleef gaan. En modder, ja, regen en modder. Alles was bruin gekleurd en de troepen vochten tot hun enkels in de bruine derrie. Dat was gedeeltelijk ons geluk eigenelijk, want zo kon de vijand zijn artillerie nauwelijks verplaatsen. Die bleef uiteraard steken in die afgrijselijke taaie en dikke brei. We hadden, na onze terugtocht, nog een achterhoedegevecht geleverd bij Waver en waren via Rixensart en Lasne op Waterloo aangetrokken. De oude maarschalk en Von Gneisenau wilden daar de flank van Napoleon aanvallen. Bij Plancenoit stootten we meteen al op een brigade Fransen en het werd een slachting, zowel voor de onzen als voor de vijand.’ Weer huiverde hij en moest zijn paard controleren dat geschrokken was van een plotseling het pad overstekende eekhoorn. Vliegensvlug klom het beestje in een iep aan de andere kant van de weg. Even keken ze naar het bruine diertje, allebei verwonderd dat er, tussen de verhalen over bloed en dood en verminking nog plaats was voor iets dat zo dicht bij in het leven stond. Zwijgend gingen ze, stapvoets rijdend nu, verder. Louise was bang dat ze teveel gevraagd aan hem, dat ze misschien wel te veel oude herinneringen en, ja, ook wonden, open had gehaald door hem te vragen om te praten over zijn ervaringen. Maar, instinctief voelde ze dat ze daar toch het beste aan had gedaan. Praten over zulke emoties scheen altijd te helpen, in elk geval in haar geval. Toen haar man niet was teruggekeerd uit de oorlog, had ze bij pêre Jaques, de oude dorpspastoor, vaak genoeg haar hart kunnen uitstorten en, hoewel het niet alle pijn weg had kunnen nemen, had ze toch een gevoel van ruimte in haar binnenste gekregen, alsof die enorme steen van wroeging en verdriet, die de plaats van haar hart in leek te hebben genomen, was verdwenen, in elk geval verkleind leek te zijn.
Hij kuchte en hoeste wat, snoot zijn neus, draaide zich naar haar toe en nam haar linkerhand in de zijne en kuste die. Hij schraapte zijn keel weer eens en ging verder:
‘Ondertussen hadden de Nederlanders onder hun Prins Willem, de kroonprins van die lage landen, de Fransen tegen kunnen houden bij Quatre Bras en ons zo de tijd gegeven om ons aan te sluiten bij Wellington. En dat was allemaal net op tijd, want zijn centrum was in gevaar. De Oude garde van de Fransen rukte op, maar er was een Nederlandse Brigade die een dappere tegenaanval met de bajonet uitvoerde en de tegenstanders behoorlijk aan het wankelen bracht! Uiteindelijk vluchtte die Oude Garde en daarmee ook de Keizer, natuurlijk. Er ontstond een wilde achtervolging, maar die werd al spoedig gestaakt, want we moesten ons hergroeperen en onze gewonden verzamelen. Bovendien hadden we geen ammunitie meer en de voeding kwam ook niet. Na dat we dat allemaal hadden afgehandeld, onze troepen hadden verzorgd, de gewonden hadden afgevoerd en ons hadden hergegroepeerd, trokken we op naar Parijs.
Zoals je weet was Napoleon naar die stad teruggekeerd, maar zijn macht was natuurlijk wel over. Hij probeerde overigens nog te vluchten naar Amerika maar dat ging niet door. Dat zou nota bene gebeuren met een onderzeese boot, of zo iets mals of ongeloofwaardigs. Daarna wilde hij politiek asiel aanvragen
aan de Engelsen, maar die vertelden hem dat hij gewoon maar een gevangene was.’
Ze stapten nu rustig verder, de paarden rustig en in een goede tred. Hij keek naar de velden om hem heen en dacht: ja, hier kan ik blijven, hier kan ik wonen. Louise drong aan: ‘Cherie, ga door met je histoire, alsjeblieft?’
‘Goed dan, maar het is wel een verhaal, hoor! Mijn eskadron kreeg opdracht om naar Versailles te gaan. Het was officieel dan nog wel nog geen wapenstilstand, maar de onderhandelingen waren natuurlijk ondertussen in volle gang. Je begrijpt, schat, dat we na al die maanden vechten en reizen moe waren en ja, ik geloof ook wel behoorlijk euforisch, omdat nu eindelijk een einde kwam aan a die jaren van  vreselijke oorlogen die al onze landen bijna hadden vernietigd en volkeren en families tegen alkaar hadden opgezt. Er wwaren duizenden en duizenden kerels gesneuveld, er waren ook evenzovele vrouwen verkracht en vermoord, gezinnen waren uit elkaar gerukt, landen waren ontstaan en weer ondergegaan en er liepen huilende weeskinderen langs de wegen. Maar hoe dan ook.
Door onze enorme overwinning bij Waterloo en de daaropvolgeende vlucht van de Fransen waren een beetje in slaap gesust, zou je misschien kunnen zeggen. Toen er dan, bij onze binnenkomst bij Parijs, een detachement Franse huzaren naderde wisten we eigenlijk niets beter dan dat ze de wapens neer wilden leggen en zich vredig wilden overgeven maar dat bleek dus helemaal niet zo te gaan. Ze trokken meteeen hun sabels en schoten ook nog eens met hun karabijnen en, omdat we helemaal niet voorbereid waren op een dergeleijke manoeuvre, we wisten niet beter dan ons terug te trekken op Rocquencourt. Daar liepen we dan ook nog eens in een goed gelegde hinderlaag en dat koste ons tientallen doden. En gewonden zoals je ziet’.
Grimmig hief hij zijn gewonde arm op en keek nog eens naar de keurig verstelde mouw. ‘Gelukkig was de weg door de velden vrij en konden we ons verder terug trekken op Saint Germain. Daar hoorden we dat het de Franse generaal Exelmans was geweest die ons in een hinderlaag had gelokt. Dat was omdat hij de Fransen wilde laten zien dat ze nog steeds een leger hadden dat kon vechten en dat ze zich niet zouden neerleggen bij een voor hen niet al te gunstige wapenstilstand.’
Hij zweeg weer en zij zag aan zijn houding dat hij die eerste juli weer herbeleefde. Nogmaals schudde hij zijn hoofd om die herinneringen er als het ware uit te gooien.
‘Oh ja, ik had vannacht de meest gekke droom’, veranderde hij opeens, wat scheef lachend van gesprek. ‘Moet je je voorstellen. Ik droomde dat ik weer soldaat was, maar dan ergens heel anders en in een andere wereld of zo. Ik was in de loopgraven aan een front waar wij, ik geloof dat ik ook weer eens een Pruis was, tegen de Engelsen en zo vocht. Op een gegeven moment kwamen er ijzeren strijdwagens die uitgerust waren met kanonnen en die spoten dood en verderf. Ik kon vluchten en kwam in een ruïne van een kasteel terecht. Maar gek genoeg, een ruine van dit kasteel, dit, het jouwe, dit van Flers! Hoe begrijp je dat? Dromen, ja ze zijn belachelijk! Maar goed, ze zijn ook bedrog, zegt men, maar er was iets, ik weet niet, iets heel gek reëels aan die droom, misschien dat ik haar vaker had gehad, maar ik kan er net niet met mijn vinger achter komen of dat zo is. Raar, niet? Maar, enfin, over onze toekomst samen, mijn liefde. Ik heb zitten denken dat ik bij blijf en dat ik .. ‘

Opeens rommelde er een donderslag heel dicht bij en die brak de betovering van zijn woorden. Geschrokken keken ze allebei op en zagen dat de lucht boven hen opeens aardedonker was geworden. Ook was er meteen een behoorlijke bries opgestoken en de bladeren aan de bomen ritselden onheilspellend. ‘Allez, vite, vite’, spoorde Louise hem aan, ‘terug naar het kasteel chérie, voor het noodweer over ons heen komt. Mijn haar, ik heb het net nog laten doen, kom nu, treuzel niet!’ Ze gaven hun paarden de sporen en na een paar minuten bereikten ze de stallen, die er verlaten bij lagen. Hij hielp haar van haar paard net toen de eerste enorme waterdruppels naar benden kwamen. Ze besloten om in de stallen te schuilen voor de hoosbui. Hij trok haar mee naar binnen en stalde de paarden. Boenen en poetsen zou hij later wel doen. Het onweer werd nu wel heel hevig en een enorme donderslag rommelde de lucht uiteen. Een verblinde bliksemflits leek op hem toe te springen.

‘Ach mein Gott, je gaat het redden, kap’tein, je bent er weer, man wat ben ik geschrokken!’
De rauwe en doorrookte stem van Schmidt  klonk heel dichtbij en hij zag de Feldwebel over zich heen gebogen. Hij sloeg met moeite de ogen open en keek in het gezicht van zijn ouwe trouwe onderofficier. ‘Paul, Mensch, wat is er gebeurd? Ik weet dat we een tegenaanval deden en dat ik door iets getroffen werd maar verder?’
‘Ja, kap’tein we waren in de tegenaanval op de Tommy’s en jij rende ver voor ons uit. Je had de ruïne van het kasteel bereikt en keek alleen maar recht voor je uit! Maar, luister nou eens naar een ouwe wijze en grijze Feldwebel en besef dat je ook om je heen moet kijken, jonge hond! Er lag, godverdrie een Tommy met een bajonet op zijn geweer achter het muurtje waar je over heen was gesprongen en die kwam natuurlijk meteen overeind en wilde je in je rug steken. Maar hij mikte slecht of hij was moe of scheel, Gott weiss’s, maar hij raakte je gelukkig alleen in je arm. Ik raakte hem zelf in die dikke schedel van hem. Nou, iets later was het pleit beslecht en heb ik je naar de verbandplaats gebracht. De arts heeft je gehecht, maar het is wel een Heimatschuss, hoor, m’n jongen. Je gaat terug naar huis. Hier hebben we niks meer aan je.’ Hij stak twee Roth Handels op en stak er een tussen de lippen van zijn kapitein en de andere nam hij zelf in zijn mond. Nonkel nam een enorme heis rook, liet die even in zijn longen circuleren en blies toen, hoestend, uit. ‘Scheisse, deze dingen zitten vol stro of zo.’ Hij hoestte nog even door en nam de sigaret uit de mond van zijn officier, tipte de as af en plaatste het rokertje terug. ‘Maar, sag mal, heb je een verloofde of zo? Wie is die Louise Anne eigenlijk waar je het de hele tijd over had?’
Hij kreunde wat en vroeg om water. ‘Zij is denk ik een droom Nonkel, wellicht een droom, maar dan wel een mooie droom. Nonkel reikte hem een veldfles aan die hij van zijn koppel haalde. Toen hij de veldfles wilde aanpakken, merkte hij dat zijn rechter hand stijf verkrampt was. Met moeite opende hij die en zag een roze zakdoekje dat een wond in zijn hand bedekte. Verwonderd nam hij een teug uit de veldfles, die een goede echte cognac bevatte.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten