6.
Hij zag die hele veldslag
bijna weer voor zich. Hij vertelde verder: ‘In de verwarring die, na het
aantreden van de Pruisen van Blücher op hun flank, daardoor bij de Franse
legers ontstond werd ons de tijd gegeven om ons te hergroeperen en ook nog eens
een tegenaanval op te zetten. De oude maarschalk zelf ging voor in die strijd.
Tegen het vallen van de avond zette Napoleon uiteindelijk zijn Oude Garde in en
die verdreven ons vrij snel uit onze posities. We waren na vijf uur vechten natuurlijk
volledig uitgeput maar Blücher wilde absoluut nog een flankaanval wagen. Hij
werd echter van zijn paard geschoten en het heeft uren geduurd voor wij hem
vonden. Hij lag onder zijn knol, namelijk. Gneisenau nam toen tijdelijk het
bevel over en we moesten uiteindelijk wel terugtrekken op Tilly, een plaatsje
iets ten noordwesten van de Franse linies. Dat was goed gedacht van Von
Gneisenau, want zo zou Wellington ons nog te hulp kunnen komen, wat natuurlijk
niet mogelijk was geweest als we naar het oosten waren getrokken. Gelukkig werd
de oude maarschalk, hij was al 72 moet je weten, rond middernacht gevonden en
hij nam het bevel meteen weer over. We werden ook niet achtervolgd, want de
Fransen hadden het idee dat wel wel naar het oosten waren getrokken. Maar goed,
er waren veel schermutselingen over en weer. De cavalarie van beide kanten
trokken op en af en ja, twee dagen later vochten we bij Waterloo. Ondertussen
waren wel al 8000 van onze infanteristen overgelopen of gevlucht. Maar ja, dat
waren geen echte Pruisen, natuurlijk!’
Hij schudde zijn
hoofd en rilde bij al de vreselijke herinneringen die als een vloedgolf door
hem heen trokken. Weer zag hij de lange linies van soldaten voor zich die
optrokken naar de vijand, hoorde hij het gillen van mensen en paarden in doodsnood,
mannen die om hun “Mutter”, “Mum” of hun “Maman” gilden, het dreunen van
kanonnen, het geluid van kogels die in lichamen inslaan of van projectielen die
hele groepen mannen tegelijk afmaken.
Zij legde haar
kleine, tere hand op de zijne en leek wat te willen gaan zeggen maar hij
schudde zijn hoofd, hernam zich en ging verder: ‘En twee dagen later kwam dan uiteindelijk
Waterloo. Wat me van die dag het meeste bijstaat is de eindeloze regen die maar
door bleef gaan. En modder, ja, regen en modder. Alles was bruin gekleurd en de
troepen vochten tot hun enkels in de bruine derrie. Dat was gedeeltelijk ons
geluk eigenelijk, want zo kon de vijand zijn artillerie nauwelijks verplaatsen.
Die bleef uiteraard steken in die afgrijselijke taaie en dikke brei. We hadden,
na onze terugtocht, nog een achterhoedegevecht geleverd bij Waver en waren via
Rixensart en Lasne op Waterloo aangetrokken. De oude maarschalk en Von Gneisenau
wilden daar de flank van Napoleon aanvallen. Bij Plancenoit stootten we meteen
al op een brigade Fransen en het werd een slachting, zowel voor de onzen als
voor de vijand.’ Weer huiverde hij en moest zijn paard controleren dat
geschrokken was van een plotseling het pad overstekende eekhoorn. Vliegensvlug
klom het beestje in een iep aan de andere kant van de weg. Even keken ze naar
het bruine diertje, allebei verwonderd dat er, tussen de verhalen over bloed en
dood en verminking nog plaats was voor iets dat zo dicht bij in het leven
stond. Zwijgend gingen ze, stapvoets rijdend nu, verder. Louise was bang dat ze
teveel gevraagd aan hem, dat ze misschien wel te veel oude herinneringen en,
ja, ook wonden, open had gehaald door hem te vragen om te praten over zijn
ervaringen. Maar, instinctief voelde ze dat ze daar toch het beste aan had
gedaan. Praten over zulke emoties scheen altijd te helpen, in elk geval in haar
geval. Toen haar man niet was teruggekeerd uit de oorlog, had ze bij pêre
Jaques, de oude dorpspastoor, vaak genoeg haar hart kunnen uitstorten en,
hoewel het niet alle pijn weg had kunnen nemen, had ze toch een gevoel van
ruimte in haar binnenste gekregen, alsof die enorme steen van wroeging en
verdriet, die de plaats van haar hart in leek te hebben genomen, was verdwenen,
in elk geval verkleind leek te zijn.
Hij kuchte en
hoeste wat, snoot zijn neus, draaide zich naar haar toe en nam haar linkerhand
in de zijne en kuste die. Hij schraapte zijn keel weer eens en ging verder:
‘Ondertussen
hadden de Nederlanders onder hun Prins Willem, de kroonprins van die lage
landen, de Fransen tegen kunnen houden bij Quatre Bras en ons zo de tijd
gegeven om ons aan te sluiten bij Wellington. En dat was allemaal net op tijd,
want zijn centrum was in gevaar. De Oude garde van de Fransen rukte op, maar er
was een Nederlandse Brigade die een dappere tegenaanval met de bajonet
uitvoerde en de tegenstanders behoorlijk aan het wankelen bracht! Uiteindelijk
vluchtte die Oude Garde en daarmee ook de Keizer, natuurlijk. Er ontstond een
wilde achtervolging, maar die werd al spoedig gestaakt, want we moesten ons hergroeperen
en onze gewonden verzamelen. Bovendien hadden we geen ammunitie meer en de
voeding kwam ook niet. Na dat we dat allemaal hadden afgehandeld, onze troepen
hadden verzorgd, de gewonden hadden afgevoerd en ons hadden hergegroepeerd, trokken
we op naar Parijs.
Zoals je weet was
Napoleon naar die stad teruggekeerd, maar zijn macht was natuurlijk wel over.
Hij probeerde overigens nog te vluchten naar Amerika maar dat ging niet door.
Dat zou nota bene gebeuren met een onderzeese boot, of zo iets mals of
ongeloofwaardigs. Daarna wilde hij politiek asiel aanvragen
aan de Engelsen,
maar die vertelden hem dat hij gewoon maar een gevangene was.’
Ze stapten nu
rustig verder, de paarden rustig en in een goede tred. Hij keek naar de velden
om hem heen en dacht: ja, hier kan ik blijven, hier kan ik wonen. Louise drong
aan: ‘Cherie, ga door met je histoire, alsjeblieft?’
‘Goed dan, maar
het is wel een verhaal, hoor! Mijn eskadron kreeg opdracht om naar Versailles
te gaan. Het was officieel dan nog wel nog geen wapenstilstand, maar de
onderhandelingen waren natuurlijk ondertussen in volle gang. Je begrijpt,
schat, dat we na al die maanden vechten en reizen moe waren en ja, ik geloof
ook wel behoorlijk euforisch, omdat nu eindelijk een einde kwam aan a die jaren
van vreselijke oorlogen die al onze
landen bijna hadden vernietigd en volkeren en families tegen alkaar hadden
opgezt. Er wwaren duizenden en duizenden kerels gesneuveld, er waren ook
evenzovele vrouwen verkracht en vermoord, gezinnen waren uit elkaar gerukt,
landen waren ontstaan en weer ondergegaan en er liepen huilende weeskinderen
langs de wegen. Maar hoe dan ook.
Door onze enorme
overwinning bij Waterloo en de daaropvolgeende vlucht van de Fransen waren een
beetje in slaap gesust, zou je misschien kunnen zeggen. Toen er dan, bij onze
binnenkomst bij Parijs, een detachement Franse huzaren naderde wisten we
eigenlijk niets beter dan dat ze de wapens neer wilden leggen en zich vredig
wilden overgeven maar dat bleek dus helemaal niet zo te gaan. Ze trokken meteeen
hun sabels en schoten ook nog eens met hun karabijnen en, omdat we helemaal
niet voorbereid waren op een dergeleijke manoeuvre, we wisten niet beter dan
ons terug te trekken op Rocquencourt. Daar liepen we dan ook nog eens in een
goed gelegde hinderlaag en dat koste ons tientallen doden. En gewonden zoals je
ziet’.
Grimmig hief hij zijn
gewonde arm op en keek nog eens naar de keurig verstelde mouw. ‘Gelukkig was de
weg door de velden vrij en konden we ons verder terug trekken op Saint Germain.
Daar hoorden we dat het de Franse generaal Exelmans was geweest die ons in een
hinderlaag had gelokt. Dat was omdat hij de Fransen wilde laten zien dat ze nog
steeds een leger hadden dat kon vechten en dat ze zich niet zouden neerleggen
bij een voor hen niet al te gunstige wapenstilstand.’
Hij zweeg weer en
zij zag aan zijn houding dat hij die eerste juli weer herbeleefde. Nogmaals
schudde hij zijn hoofd om die herinneringen er als het ware uit te gooien.
‘Oh ja, ik had
vannacht de meest gekke droom’, veranderde hij opeens, wat scheef lachend van
gesprek. ‘Moet je je voorstellen. Ik droomde dat ik weer soldaat was, maar dan
ergens heel anders en in een andere wereld of zo. Ik was in de loopgraven aan
een front waar wij, ik geloof dat ik ook weer eens een Pruis was, tegen de
Engelsen en zo vocht. Op een gegeven moment kwamen er ijzeren strijdwagens die
uitgerust waren met kanonnen en die spoten dood en verderf. Ik kon vluchten en
kwam in een ruïne van een kasteel terecht. Maar gek genoeg, een ruine van dit
kasteel, dit, het jouwe, dit van Flers! Hoe begrijp je dat? Dromen, ja ze zijn belachelijk!
Maar goed, ze zijn ook bedrog, zegt men, maar er was iets, ik weet niet, iets
heel gek reëels aan die droom, misschien dat ik haar vaker had gehad, maar ik
kan er net niet met mijn vinger achter komen of dat zo is. Raar, niet? Maar,
enfin, over onze toekomst samen, mijn liefde. Ik heb zitten denken dat ik bij
blijf en dat ik .. ‘
Opeens rommelde
er een donderslag heel dicht bij en die brak de betovering van zijn woorden.
Geschrokken keken ze allebei op en zagen dat de lucht boven hen opeens aardedonker
was geworden. Ook was er meteen een behoorlijke bries opgestoken en de bladeren
aan de bomen ritselden onheilspellend. ‘Allez, vite, vite’, spoorde Louise hem
aan, ‘terug naar het kasteel chérie, voor het noodweer over ons heen komt. Mijn
haar, ik heb het net nog laten doen, kom nu, treuzel niet!’ Ze gaven hun
paarden de sporen en na een paar minuten bereikten ze de stallen, die er
verlaten bij lagen. Hij hielp haar van haar paard net toen de eerste enorme
waterdruppels naar benden kwamen. Ze besloten om in de stallen te schuilen voor
de hoosbui. Hij trok haar mee naar binnen en stalde de paarden. Boenen en
poetsen zou hij later wel doen. Het onweer werd nu wel heel hevig en een enorme
donderslag rommelde de lucht uiteen. Een verblinde bliksemflits leek op hem toe
te springen.
‘Ach mein Gott,
je gaat het redden, kap’tein, je bent er weer, man wat ben ik geschrokken!’
De rauwe en
doorrookte stem van Schmidt klonk heel
dichtbij en hij zag de Feldwebel over zich heen gebogen. Hij sloeg met moeite
de ogen open en keek in het gezicht van zijn ouwe trouwe onderofficier. ‘Paul,
Mensch, wat is er gebeurd? Ik weet dat we een tegenaanval deden en dat ik door
iets getroffen werd maar verder?’
‘Ja, kap’tein we
waren in de tegenaanval op de Tommy’s en jij rende ver voor ons uit. Je had de
ruïne van het kasteel bereikt en keek alleen maar recht voor je uit! Maar,
luister nou eens naar een ouwe wijze en grijze Feldwebel en besef dat je ook om
je heen moet kijken, jonge hond! Er lag, godverdrie een Tommy met een bajonet
op zijn geweer achter het muurtje waar je over heen was gesprongen en die kwam
natuurlijk meteen overeind en wilde je in je rug steken. Maar hij mikte slecht
of hij was moe of scheel, Gott weiss’s, maar hij raakte je gelukkig alleen in
je arm. Ik raakte hem zelf in die dikke schedel van hem. Nou, iets later was
het pleit beslecht en heb ik je naar de verbandplaats gebracht. De arts heeft
je gehecht, maar het is wel een Heimatschuss, hoor, m’n jongen. Je gaat terug
naar huis. Hier hebben we niks meer aan je.’ Hij stak twee Roth Handels op en
stak er een tussen de lippen van zijn kapitein en de andere nam hij zelf in
zijn mond. Nonkel nam een enorme heis rook, liet die even in zijn longen
circuleren en blies toen, hoestend, uit. ‘Scheisse, deze dingen zitten vol stro
of zo.’ Hij hoestte nog even door en nam de sigaret uit de mond van zijn
officier, tipte de as af en plaatste het rokertje terug. ‘Maar, sag mal, heb je
een verloofde of zo? Wie is die Louise Anne eigenlijk waar je het de hele tijd
over had?’
Hij kreunde wat
en vroeg om water. ‘Zij is denk ik een droom Nonkel, wellicht een droom, maar
dan wel een mooie droom. Nonkel reikte hem een veldfles aan die hij van zijn
koppel haalde. Toen hij de veldfles wilde aanpakken, merkte hij dat zijn
rechter hand stijf verkrampt was. Met moeite opende hij die en zag een roze
zakdoekje dat een wond in zijn hand bedekte. Verwonderd nam hij een teug uit de
veldfles, die een goede echte cognac bevatte.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten