Natuurlijk liep
hij wel met plannen rond om op zoek te gaan naar zijn pa, maar waar moest hij
beginnen? François Willems was nu niet echt een naam die heel zeldzaam was in
het Vlaamse.
De breuk met Jo
Janneke die zich al een tijd had aangediend kwam er uiteindelijk vrij
dramatisch en banaal. Het was op een van die schaarse feesten van haar waarop
hij mee was gegaan. Het werd gehouden in het chique kantoor op de Herengracht
en het was ter ere van een order die het bureau ‘Keizer, de Heer en Friesema’
had binnengesleept van een groot Amerikaans bedrijf. Er werd veel gedronken en
ook hij had een paar biertjes op en was in gesprek geraakt met de ‘Friesema’
van ‘Keizer, de Heer en Friesema’. Een werkelijk stomvervelende, platvloerse
yup die, behoorlijk bezopen, het de hele tijd had over zijn nieuwe 4 weel drive
en zijn huis op de Seychellen en dat zijn vrouw, z’n ‘meissie’ zoals hij haar
steeds noemde, haar ‘jetsers’ had laten doen en dat hij dat daar dus zo op had aangedrongen en nu ook, na de
ingreep, zo lekker had gevonden. “Weet je”, had de lul gezegd, “een wijf moet
er goed uitzien, natuurlijk. Dat is logisch, toch. Maar als mijn meissie met haar tieten-spleet loopt te
pronken en dan een of andere ouwe Yank het gevoel geeft dat hij moet
investeren, dan is die operatie eigenlijk al betaald. Bovendien, ik hou ook nog
eens van die grote jongens! Niet dat jij je te beklagen hebt, toch?” Zijn
vrouw, een Kir royal in de hand kwam bij hen staan. Zij was, zoals Albert dat
zou noemen, een totaal verkeerde grachtengordel teef, met teveel goud en te
weinig IQ. Zij had trots haar ‘jetsers’ geshowd en ze, kirrend, bijna uit de
verpakking gehaald. “Stevig man, met knoppen, jongen, als bromfietshandvaten”,
had haar man gebrald. “Niet zo gerimpeld, maar wel zo groot”, had Friesema de
mop af gerond, terwijl hij haar in een van haar omvangrijke borsten had
geknepen. Philippe had angstig gewacht of er niet een van de ballons met een
knal zou exploderen, maar dat was niet gebeurd. “Nee werkelijk Filip, jongen,
dat wijf van mij heeft een gouden lijf, maar die Jo Janneke van je mag er ook
zijn, hoor. Wat een lekkere reet heeft dat teefje zeg!” De blonde had wat sip
gekeken bij die opmerking en Philippe
was pissig geworden en had naar huis gewild. Hij zocht Jo Janneke maar kon
haar in de drukte niet vinden. Hij zette zijn glas weg en ging op zoek naar
haar. Hij dwaalde wat over de etage en zag in het achterhuis een deur op een
kier staan. Hij hoorde een hijgende en extatische ademhaling die hij maar al te
goed herkende. Hij had voorzichtig de deur open gedaan en in het in verrukking
en een naderend orgasme verkerende gezicht gekeken van zijn vriendin, die half
op een bureau lag, haar benen gespreid, het slipje om een enkel en haar voeten
steunend op de schouders van een man die tussen haar benen hurkte en die doende
was met zijn mond en vingers in haar kruis. Opeens had zij vermoedelijk iets
gehoord en recht in zijn gelaat gekeken. Hij had de deur met een knal achter
zich dichtgeslagen en was woedend en bevend van ellende weggerend. Die nacht
had hij zich in slaap gehuild. Zij was niet thuisgekomen. De volgende dag, toen
hij rond vijf uur ’s middags uit zijn werk was gekomen, waren haar spulletjes
en haar kleding weg. Er had een kort briefje op de salontafel gelegen: ‘Sorry
Philippe, ik had het niet moeten doen, maar ik heb er geen spijt van. Tussen
ons zou het nooit iets meer worden. Dag, Jo.’
Dat was nu een
week of drie geleden geweest. Hij had zich in die tijd meer en meer op zijn
werk en zijn studie gestort en had in zijn vrije tijd steevast een lange
fietstocht gemaakt. Ook had hij Marc maar weer eens opgezocht en die vertelde
sterke verhalen uit zijn tijd in het peloton. Zijn moeder had hem getroost maar
had ook wel kritiek op hem gehad. “Jongen, bijt dat meer van je af. Je hebt
haar veel te veel vrijheid gegeven. Zo was je pa ook altijd!” had ze er wat
raadselachtig op laten volgen. De vrienden hadden hem gesteund en zelfs Albert,
de broer van Jo Janneke, had alleen maar kritiek op zijn zus gehad en had
gezegd dat hij steeds op zijn steun kon rekenen. Om de pijn en verdriet van hem
wat te verzachten en om zijn gedachten af te leiden hadden ze een afspraak
gemaakt voor een weekendje weg, naar de Ardennen. Lekker, hotelletje, biertje
en een beetje fietsen, toch? “Luiks wafeltje voor onderweg en een paar leuke
routes uitstippelen, Phil, dat kun jij goed.” Had Peter beslist. Hij had er
verdorie zin in gehad en had ook, met behulp van Google maps en zijn kaarten
verzameling een tweetal leuke routes uitgezocht. Hun standplaats zou Pepinster
worden, waar ze een leuk hotelletje zouden boeken. Maar toen het afgesproken
weekend naderde bleek dat de vrienden geen van allen konden. Albert had een
‘verloofde’ gevonden. “Nee, jongens”, het is nu echt, echt serieus. Dit is niet
zo maar een scharrel, maar volgens mij is dit de grote liefde, weet je wel. En
we gaan het weekend naar het huisje van mijn ouders in Eerbeek, dus ja, nee,
ik, eh, nee ik zeg af”, had Philippe via zijn Voice mail gehoord. Peter moest
ook forfait geven. “Ja, weet je Philippe, die grote zaak tegen die afperser van
die advocaat, die moet ik voorbereiden. De zaak staat vervroegd op de rol door
al die media aandacht en hij komt maandag al voor. Sorry man, maar, dan ga je
toch gewoon met Ger!” Maar Ger kon ook al niet, had zijn vrouw Lieneke laten
weten. Hij had in een gesprek met een cliënt een ongelukkige opmerking gemaakt,
althans volgens die cliënt en die had hem een pak slaag gegeven. Nu zat die
cliënt dan wel weer vast, maar Ger ook, want die mocht van de ‘spoedeisende’
een week geen overmatige inspanningen doen en het bed houden, op verdenking van
een lichte hersenschudding. Hij wilde het weekend dan maar cancelen, maar, toen
hij op een avond bij zijn moeder was wezen eten, had die hem aangeraden toch
gewoon te gaan. “Het verzet je zinnen jongen, en je doet het graag. En wie weet
ontmoet je een leuk en sportief meisje. Die Waalse vrouwen mogen er zijn hoor!”
En ook zijn filiaalmanager had hem aangeraden een weekend weg te gaan.
“Sterker, man, neem de hele week. De
drukte is voorbij nu na voorjaarsdagen. Je afdeling draait lekker, je loopt
goed voor op de omzet. Ik vraag aan Kees of die een dag extra wil werken, en zo
lossen we dat op.” Kees was een wat oudere werknemer die een wat schimmig
verleden had en vroeger zeeman was
geweest. Hij beheerste zijnvak als geen ander, maar had helemaal geen zin om
een leidinggevende positie te willen bekleden. “Want dan mot ik vergaderen”,
had hij wat nors gebromd toen men hem die vraag had gesteld, “en aan vergaderen
heb ik de pleuris.”
Zo kwam het dat
hij die vrijdagmiddag in zijn dooie eentje in het ‘Chambre Tourisme’ hotel aan
de Rue Neuve incheckte. ’s Morgens had hij zorgvuldig zijn Giant Defy uit
elkaar gehaald en de fiets zorgvuldig op de achterbank van zijn Japanner
gestald, nadat hij de bank zorgvuldig bekleed had met een plaid en daarover een
stuk noppenfolie. Hij hield niet zo van fietsdragers, nadat hij een keer had
gezien hoe zo’n apparaat met twee fietsen erop van de trekhaak van een auto was
gevallen, en direct daarop overreden was door een achteropkomende vrachtwagen
van Simon Loos, die geen tijd meer had om te remmen of om het gevaarte te
ontwijken. De bezitters van het ex-fietsenrek en de ex-fietsen hadden helemaal
niets gemerkt van het voorval, tot dat een gozer op een brommertje het tweetal,
het was een ouder stel mensen geweest, allebei gekleed in van die Gaastra
jassen, hun op de ramp opmerkzaam had gemaakt.