Het had zo’n mooi
weekend moeten worden, samen. Zoals ze dat een paar keer per jaar deden, al
jaren lang, eigenlijk. Gezellig met de maten een weekendje naar de Ardennen,
vrijdag op tijd in de middag, dus voor de spits, wegrijden en maandagmorgen
terugkomen, de fietsen mee, een hotelletje in Pepinster boeken en vrijdagavond
even lekker een paar biertjes met de jongens, even indrinken, een goede
maaltijd eten, altijd pasta natuurlijk en dan zaterdag en zondag van de ochtend
tot de avond lekker beulen in de heuvels ten oosten en ten zuiden van Luik. Dan
op zondagavond nog even lekker doorzakken en allemaal sterke verhalen vertellen
over het afzien van dat weekend en van vele van die weekenden daarvoor. Die
verhalen zouden met elk biertje dat ze dronken sterker worden, dat hoorde nu
eenmaal zo. Dat was de gewoonte nu eenmaal. Een soort van afspraak die ze
zonder af te spreken hadden gemaakt. Waarschijnlijk zou Albert al op
vrijdagavond verliefd geworden zijn op de eerste de beste griet die hij ergens
in een kroeg tegen kwam en zou hij dan in tranen die maandagochtend afscheid
nemen van zijn weekend liefde, na plechtige beloftes te hebben gedaan om elkaar
zoveel mogelijk op te zoeken.
Dat dat dan niet
gebeurde wisten ze, alle vier. Misschien dat Albert het wel zo wilde, hij was
geen slechte of nare kerel zo, maar ja, er kwam altijd wel weer een andere
vrouw op een andere plek of een ander tijdstip op zijn pad, dus het kwam er
simpelweg niet van, toch niet van dat ‘zoveel mogelijk opzoeken’, beweerde hij
altijd.
En ja, Peter zou
vermoedelijk toch wel weer een stapel dossiers mee genomen hebben in zijn
reiskoffer, want het was op de firma, zoals hij het advocaten kantoor waar hij
werkte altijd noemde, altijd druk, druk, druk en hij moest het echt hebben van
zijn vrije tijd om zijn dossiers bij te werken. Natuurlijk kwam daar geen ene
ruk van terecht, want als Peter één biertje op had volgden er nog vijf of tien
of misschien nog trwee of drie wiskhies. Hoe die gozer het in Gods naam fikste
om dan de volgende ochtend die pittige tocht te rijden die ze, zoals altijd,
gepland hadden, was hem altijd een raadsel. Hoe Peter het überhaupt fikste om
in de ochtend op zijn fiets te klimmen was al een wonder, zo grauw en beroerd
zag hij er uit na zo’n avond doorhalen. Maar, hij reed de klimmen altijd als
eerste naar boven en, hoewel hij zwetend als een otter en met een grauw ponem
bijna kokhalzend bovenkwam, hij deed het gedorie wel.
Ger, ja Ger, die
was altijd zichzelf. Hij was gewoon de clown van hun vieren, altijd in voor een
geintje, een witz, een anekdote, waarvan hij er vele paraat had omdat hij in
zijn functie als ‘pratend penitentiair inrichtingsmedewerker boven’, zoals hij
zich zelf altijd wat spottend noemde, (maar wat niet helemaal waar was, hij was
een reclasseringsambtenaar die natuurlijk met allerhande slag mensen van doen
had) van beide kanten van de tralies allerlei verhalen, anekdotes en grappen,
maar ook vreselijk dramatische verhalen hoorde.
En hijzelf? Ach,
hij was maar een bescheiden medewerker van een supermarkt, die toevallig met
het clubje van die drie oude studievrienden in contact was gekomen toen die een
keer hopeloos verdwaald hadden rondgedwaald in de Vlaamse Ardennen. Ze hadden
hem, toe hij langs fietste, aangesproken en hadden natuurlijk gedacht dat hij
een Vlaming was. Het waren natuurlijk nog die studentikoze figuren geweest, die
hem met een: ‘Awel Polleke, waar is ’t naaste frietkot, joeng?’ hadden
aangesproken. Maar een van de mannen had hem gevraagd of hij wist waar
Oudenaerde was, want daar stonden hun
auto’s.
God, toen had hij
wel even moeten piekeren, had even niet geantwoord, omdat ze in de buurt van
Ronse stonden en hij zich natuurlijk even moest oriënteren. Ze waren natuurlijk
stomverbaasd geweest dat hij toen op zijn beste Hollands had geantwoord dat hij
dat ook niet zo snel had geweten, maar dat hij wel wist hoe hij weer terug
moest naar de grachtengordel. Ze hadden zich, wat beschaamd, verontschuldigd,
hadden gezegd dat ze na uren fietsen een beetje melig waren en nu op weg waren
naar Oudenaarde, waar ze hun auto’s hadden geparkeerd en zich hadden omgekleed.
Vanuit dat stadje hadden ze hun fietstocht gemaakt, over een stuk van “Vlaanderens
mooiste”, maar door het niet al te kwistige aanwezig zijn van bewegwijzering,
ja da’s traditie in Belgie, had hij geantwoord, hadden ze geen idee waar ze
uithingen. Hij had hun de weg gewezen, was zelfs tot Oudenaarde meegefietst en
aan het einde van de rit hadden ze hun 06 nummers en mail adressen
uitgewisseld. Dat was nu ongeveer 6 jaar geleden geweest en sinds die tijd
hadden ze, een keer of wat per jaar, een langere tocht door Vlaanderen of
Wallonië gefietst. De drie gingen af en toe wel eens een weekje naar de Alpen
of naar de Dolomieten en steevast vroegen ze hem mee en even steevast moest hij
dan zeggen dat hij niet kon vanwge zijn werk of zo. Dat was natuurlijk niet
helemaal waar. Of eerlijk gezegd, helemaal niet waar. De reden ervoor was heel
simpel, hij vond het leuk een dag of zo met hen om te gaan en op te trekken en
mee te fietsen, maar hij wist dat hij eigenlijk niet in die groep studenten,
die ze in wezen nog steeds waren, in die vrije dagen van hen, paste.
Veel van hun
humor ging aan hem voorbij, veel van hun culturele interesses waren niet de
zijne en hun gebral en gedrag tijdens de ‘zuipavonden’ was niet wat hij van een
avondje voorbereiding op een zware fietstocht vond passen. Daarbij, de drie
hadden allemaal goede banen en rolden redelijk in het geld terwijl het met zijn
supermarkt salaris moest doen, iets wat absoluut geen vetpot was zodat hij het
zich niet kon veroorloven om weken naar het buitenland te gaan.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten