Dat hij nu bij
een supermarkt werkte lag natuurlijk helemaal aan hem zelf. Hij had een goed
stel hersenen en had natuurlijk ook kunnen gaan studeren, maar dat geld had
zijn moeder, die al jong alleen was komen te staan want zijn ouwe heer was
opeens verdwenen zomaar, van de ene dag op de andere, nu eenmaal niet. Na de
lagere school was hij naar de HAVO gegaan en had, om een zakcentje te
verdienen, een baantje als vakkenvuller gezocht, bij een supermarkt in de buurt.
Zijn toenmalige vrienden hadden het baantje spottend ‘zakkenvuller’ genoemd,
maar die gasten hadden nooit beseft hoe zwaar het werk elke dag weer was en hoe
hij, als hij zijn werk goed wilde doen, er elke keer weer helemaal zijn kop bij
moest houden, om de vakken zo goed en netjes mogelijk te krijgen en om zijn
voorraden op peil te blijven houden. Zijn toenmalige chef, een stevige man uit
West Friesland, had wel wat in hem gezien en hij had al jong de
verantwoordelijkheid over de ‘vul ploeg’ gekregen. Later had hij geleerd hoe
hij de goederen moest bestellen, data in moeest vullen, afschrijvingen moest
beheren en meer van dat soort andere administratieve zaken. Zo als dat gaat was
hij, na zijn schooltijd, hij was toen negentiende, dan maar vast in dienst
gegaan, als semi-beroeps militair. Zijn moeder had hem nog halfhartig getracht
te stimuleren om te gaan studeren, maar zij vond het anderzijds ook wel prettig
dat hij aan het einde van elke maand zijn kostgeld af droeg.
Oh, niet dat hij
ontevreden met zijn leven was, nee dat niet, maar als hij naar de maatjes keek
en zag wat die allemaal konden uitgeven, dan was hij af en toe toch wel wat
jaloers. Maar ook die jongens hadden uiteindelijk begrepen dat hij meer in zijn
intellectuele ransel had dan dat er uitkwam en ze hadden op hem ingepraat om
toch door te leren. “Phil”, hadden ze gezegd, “zorg dat je aan je toekomst
werkt, man. Je bent nu een dertiger, jong genoeg nog om wat van je leven te
maken. Probeer of je de opleiding tot filiaalmanager kunt gaan volgen. Dat is
voor iemand met jouw verstand goed te doen en je wilt toch niet tot je pensioen
pakken melk in schappen blijven duwen?” Dat had hij goed op zich in laten
werken, nu ja, hij reageerde altijd wat secundair, maar dat was waarschijnlijk
zijn half Vlaamse afkomst, zoals zijn moeder altijd placht te zeggen.
Uiteindelijk had hij Sander, zijn toenmalige filiaalmanager aangesproken en
gevraagd of er een kans was om die opleiding te gaan volgen. Deze man, een
sportieve nog jonge vent, had meteen geïnformeerd bij de personeelsafdeling van
de keten en een maand later kon hij al voor een intake gesprek bij de directie
komen. Die lieten hem praten, ze luistgerden, ze stemden toe en ja, ze zouden
de driejarige opleiding betalen en hij verplichtte zich dan wel om nog drie
jaar na die opleiding voor de firma te blijven werken. Hij was nu ongeveer halverwege
de opleiding en, tot zijn eigen verbazing, vond hij het leren leuk.
Hij ging drie
dagen full time naar school en werkte de overige twee dagen in zijn winkel en
merkte dat theorie en praktijk aardig op elkaar aansloten. Ook zijn mentor, een
oude en vergrijsde filiaalmanager, stimuleerde hem zoveel mogelijk. In de
avonden zat hij dan over zijn boeken gebogen, zoals dat vroeger zo mooi heette,
maar dat was nu allemaal vervangen door allerlei internet sites. Dat gaf
natuurlijk weer spanningen met Jo Janneke, zijn vriendin waar hij nu al een
jaar of twee mee samen woonde. Hij had haar via zijn vrienden ontmoet, ze was
trouwens de zus van Albert, en ze hadden elkaar tijdens een feestje bij Peter
thuis leren kennen. Jo Janneke was afgestudeerd sociologe en werkte op een
‘Head Hunter’ kantoor in de grachtengordel. De liefde was aanvankelijk van twee
kanten gekomen en ze hadden al snel het besluit genomen om samen te gaan wonen.
Ze konden een
flatje huren aan de rand van de stad en een jaar of wat had hij zich dolgelukkig
gevoeld. Ze hadden het geweldig leuk samen, hadden fantastische seks en konden
aanvankelijk over heel veel dingen praten. Maar al gauw bleek dat Jo Janneke
niet zo veel met zijn moeder op had. Zij vond haar een gewone volksvrouw en
niet bijster intelligent. Dat stak hem. Hij was weliswaar geen moeders ventje,
maar hij was wel gek op haar. Als hij het dan weer eens voor zijn moeder opnam
en zij dat zijn moeder hem toch wel helemaal in haar eentje had moeten opvoeden
en dat ook nog maar met heel weinig geld, dan leidde dat vaak tot woorden
tussen hem en Jo Janneke. Ook had die een beetje neergekeken op zijn werk als
‘melkboertje’ zoals ze dat dan neerbuigend noemde. Hoewel ze zei dat het een
koosnaampje was, was hij door het woord gebelgd. Ook had ze de nodige kritiek
op zijn vriendenkring, de maten van vroeger, niet de ‘studenten’, zoals hij
Peter, Ger en Albert altijd hardnekkig bij zichzelf was blijven noemen, en waar
hij nog steeds geregeld mee optrok. Dat was op een gegeven moment zo ver gegaan
dat ze, behoorlijk aangeschoten, tijdens een feestje bij hen thuis, de spraak
van de maten had geïmiteerd en ook verder behoorlijk beledigend waren geweest.
Hij had zijn maten daarna nooit meer durven uitnodigen en was dan ook steeds
alleen naar feestjes van hen gegaan. De ochtend na dat feest had hij haar over
haar gedrag aangesproken, maar ze had de zaak gebagatelliseerd en gezegd dat ze
wat tipsy was geweest en dat de maten toch anders ook niet zo fijn gevoelig
waren?
Hij had dan
uiteindelijk maar gezwegen, had zijn fiets van het (overdekte) balkon genomen
en was maar eens een tochtje door de Ronde Hoep en via de Winkel gaan maken,
maar zo verbeten was hij geweest dat hij een gemiddelde van tegen de 38
kilometer per uur had gehaald. Toen hij
terug was gekomen had ze spijt gehad en had hem verwend in bed. Maar helemaal
senang voelde hij zich niet meer bij haar. Langzaam aan was de klad in hun
relatie gekomen. Zij ging steeds vaker met ‘klanten van het werk schat, dat
begrijp je toch?’ uit eten gegaan en had steeds vaker feestjes van collegae van
haar bezocht, zonder hem echt uit te nodigen. Hij had steeds vaker het idee
gehad dat ze een ander zag, maar dorst het haar niet te vragen, uit angst voor
haar antwoord en de waarheid. Dan zat hij ’s avonds op hun flatje en
bestudeerde marktwerking invloeden op de economie of dat soort zaken en
vervloekte inwendig zijn lethargie. Zijn Vlaamse kant, zoals zijn moeder altijd
had gezegd. “Jongen dat heb je van je pa, he? Die wachtte ook altijd af wat er
ging gebeuren, die was ook altijd zo indolent!.” Dan wist hij dat ze het over
vader François had, zijn echte vader en niet over Marc, zijn stiefvader,
waarmee ma, na de verdwijning van haar eerste man, een paar jaar later was
getrouwd. Ondertussen waren Marc en ma alweer jaren gescheiden, na een huwelijk
dat net aan twee jaar had geduurd, maar een enkele keer zocht hij zijn
ex-stiefvader nog wel eens op. Die was weer in Vlaanderen gaan wonen, in
Horendonk, vlak bij Essen, maar zo dicht bij de grens dat het voor hem maar een
tochtje van een uur of twee met de auto was. Vaak nam hij de fiets mee en Marc
repareerde dan wat of hij maakte een trainingsrit door de streek. Dan ‘klapten’
zoals Marc dat altijd noemde, ze over vroeger, toen hij nog ‘mekanieker’ was
van de ‘Ton-Ton/ Zeepcentrale’ ploeg, waar François toen voor koerste. Want hij
had misschien zijn Vlaamse karakter van zijn vader geërfd, maar ook zijn liefde
voor de ‘velo’. Hij had Marc en natuurlijk ook zijn moeder, vaak gevraagd hoe
dat nu zat, met die verdwijning van zijn vader François. Maar ma had altijd
gezegd dat op een gegeven dag pa gewoon weg was gegaan en had zich verder met
wat flauwe bewoordingen er van af gemaakt, hem niets wijzer achterlatend dan
hij al was. Ook Marc had wat dooddoeners rondgestrooid, over de pa die niet
terug gekeerd was na een koers en dat hij het ook niet echt wist, maar dat zijn
moeder er wel meer van moest weten en zo, maar ook dat was geen bevredigend
antwoord geweest.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten