dinsdag 18 oktober 2016

Het verdwenen kasteel.



1

Toen hij eindelijk, na een diepe en verkwikkende slaap, wakker werd was de eerste gedachte die door hem heen schoot dat het dus zo was om weer thuis te zijn, dat het dus zo was om weer normaal te leven. Dat er dus eindelijk vrede was gekomen. En dat hij nog leefde! Hij had dus twee jaar hel overleefd en was er ook nog redelijk ongeschonden uitgekomen. Dit was dus thuis. Dit was goed. Hij opende langzaam zijn lodderige ogen en zag de zon zacht door de gordijn vallen en lichtvlekken over de in zachte pasteltinten geverfde muren trekken. Hij wist nog dat hij voor het laatst in zijn jongens slaapkamer had geslapen de dag voor hij naar het front vertrok. Zij compagnie had toen een dag verlof gekregen, voor ze naar de treinen, die hen naar het front zouden brengen, moesten gaan. Hij keek naar boven door wimpers die nog zwaar waren van de diepe en genezende slaap waarin hij gedompeld was geweest. Hij zag de verf die wat afgebladderd was bij de vochtplek in de hoek, waar ooit eens tijdens een enorme onweersbui een afgebroken tak van de grote beuk naast het huis op het dak was terechtgekomen, de verkleuring van de muur daaronder, waar, door het vocht,  het behang nooit meer goed zou houden, zijn boekenplankjes waarop boeken Karl May en August Niemann stonden. Maar ook Vergilius’ Aeneas en andere  schoolboeken en hij lachte inwendig toen hij bedacht hoe Herr Zucker, de leraar Latijn aan het gymnasium, hun op de dag dat ze zich hadden aangemeld voor dienst in het regiment, had voorgehouden om schoolboeken mee te nemen. Ze hadden zich in de eerste schoolweek, half juli van 1914, collectief aangemeld om dienst te nemen. Ze hadden al lang door dat de moord op de Oostenrijkse aartshertog Frans Ferdinand een oorlog zou kunnen inhouden, temeer daar de Servische regering niet inging op het ultimatum dat de Oostenrijkers hadden gesteld. De Kaiser was er natuurlijk als de kippen bij geweest om op 5 juli de Oostenrijks-Hongaarse regering toe te zeggen dat hij vond dat zij zo snel mogelijk de oorlog met Servië aan moesten gaan. Hij verzekerde de zuiderburen dat hij een interventie van Rusland zou beantwoorden met een oorlogsverklaring. Hun klassenleraar, Herr Köster, die ook hun Landwehr officier was, was een gewezen officier uit de oorlog van ’70 – ’71, had hun aangeraden zich nu vrijwillig te melden. “De oorlog zal kort worden, mannen”, hij had hun altijd mannen genoemd, alsof hij het nog tegen zijn compagnie in de slag bij Metz had gehad, “meld je nu, dan pik je nog wat eer mee. Deze oorlog zal de laatste zijn waar ons Vaderland aan mee zal doen, want we staan nu op de hoogste toppen van beschaving en alleen de Engelsen kunnen met ons wedijveren. Maar, zij de wereld en de koloniën, wij Europa, zo zal de toekomst worden.”
Ze reisden de week daarop al met de trein naar Hannover reisden, waar het 73ste regiment fuseliers, onder generaal veldmaarschalk Prins Albrecht, bevelhebber van het 10e leger, in garnizoen lag en waar ze zouden worden opgeleid. Köster en Zucker hadden hen nog uitgezwaaid en de laatste had hen nageroepen: “dat ze dan tijdens hun pauzes flink moesten studeren, dan konden zich voorbereiden op hun verdere leven, na de oorlog.” Alsof er pauzes waren geweest, daar bij Tannenberg, Ieper en Langemark.
Ze hadden een verkorte en versnelde militaire basisopleiding gevolgd en waren na vier weken soldaat. Wat waren ze trots geweest op hun ‘Feldgrau’ uniform met de ‘Pickelhaube’, de helm met de piek erop. Hun regimentsnummer hadden ze op  de schouderstukken genaaid en hun laarzen glommen als ‘een hondenlul in de maneschijn’ zoals Unteroffizier Breyer, hun opleiding sergeant, het altijd had genoemd.
Heel snel daarop waren ze met de trein naar Oost Pruisen vertrokken en waren ze op de vijfentwintigste augustus in Osterode aangekomen. Die hele dag en de volgende hadden ze gemarcheerd en uiteindelijk waren ze net op tijd geweest om de laatste vier dagen van de enorme veldslag tegen de Russen, bij Tannenberg, mee te maken. Zijn bataljon had zoveel verliezen geleden dat hij na de slag al bevorderd was tot korporaal. Ook had hij hier zijn IJzeren Kruis Tweede klasse ontvangen, nadat hij, samen met een gewonde kok, een eskadron huzaren op de vlucht had gejaagd door hun onophoudelijk te bestoken met machinegeweervuur, waarbij de kok als lader optrad.
Albrecht was daar al op de eerste dag, gevallen en dikke Heinz ook.  Georg was afgevoerd met een geamputeerde arm, zeventien jaar jong. Manfred was blind geworden toen een handgranaat te vroeg in zijn hand ontplofte.
Van de officieren en onderofficieren was de helft gesneuveld of zwaar gewond geraakt. De verliezen aan hun kant waren 10.000 doden en gewonden geweest, terwijl de vijand 30.000 verliezen had. Daarbij waren ook nog eens 90.000 krijgsgevangen gemaakt.
Toen de Russische winter inviel was zijn regiment naar het westfront gezonden en ingedeeld bij het tweede leger. Voor hem had het de officiersschool betekent, waar hij een half jaar had gezwoegd op de leerstellingen van Clausewitz en Scharnhorst  en andere veldheren. Verlof had hij niet gekregen en na zijn aanstelling tot ‘Unterleutnant’ werd hij alsnog naar het westen gezonden, waar hij zijn regiment terugvond in betrekkelijke rust in de Artois. Hij had een peloton toegewezen gekregen, allemaal veteranen die al vanaf augustus ’14 hadden gevochten maar het kostte hem weinig moeite om zijn plek te vinden en de mannen begonnen hem al gauw te mogen. Natuurlijk ook omdat hij er een van hen was geweest, en ook in de modder had gelegen en ook in koude en hitte had gemarcheerd, luidkeels hun onderofficieren en officieren vervloekend voor weer een order en weer een tegenorder, voor weer een geforceerde dagmars een weer een contra mars. Hij sprak hun taal en zij de zijne.
Hij had verlof gevraagd en gekregen maar verder dan Metz waren hij en zijn mede luitenants Anton en Helmut niet gekomen. De rest van de week hadden ze zuipend en hoererend in de bordelen van de stad doorgebracht en na die week waren ze geradbraakt en kapot terug gekomen. Hun eerste liefdesavonturen, hadden ze het maar genoemd, een beetje beschaamd. Ze waren alle drie inderdaad als maagd aan hun verlofweek begonnen maar Lisette, zijn vaste vriendin voor die week, had wel geweten hoe ze hem de liefde moest bij brengen. Nou ja, liefde, lust, meer was het niet. Zij was ingewijd in alle knepen van haar vak en deed het met verve. Bij haar en met haar beleefde hij zaken en zag hij dingen die hij nooit gezien had, zelfs niet op de bruingelige foto’s die ‘Vieze Hans’ stiekem meenam naar school en die uit de collectie van zijn vader, een bioscoop exploitant, afkomstig waren. Daar stonden stevige rondborstige dames en heren met machtige snorren op in poses die bijna anatomisch onmogelijk waren. Ze hadden nooit geweten dat de ‘daad’, waar ze altijd fluisterend over spraken en ’s nachts heimelijk aan dachten met hun handen onder de dekens, er zo uit moest zien. Blijkbaar was hij een zo goede en enthousiaste leerling geweest dat Lisette na een dag of wat al verzuchtte dat hij “Le grand Amand” was van haar leven. Ook zij had de nodige zuchten geslaakt en had verlangd naar meer, maar aan het einde van de week had ze ook gezegd dat ze blij was dat haar lichaam even rust kreeg. Het zou nog wel even duren voor ze weer een klant kon ontvangen, zo opgezet en schrijnend was alles ondertussen bij haar geworden. Maar liefde? Nee, dat had hij niet gevoeld bij haar. Verliefdheid, geilheid, ja, ze maakte hem gek met haar blanke lijf, haar stevige kleine borsten met donkerbruine tepels, de donkere driehoek tussen haar dijen met die aparte geur en smaak, maar liefde? Nee, niet zo als bijvoorbeeld zijn jeugdliefde voor Greta, de notarisdochter met wie hij in zijn tweede schooljaar had gelopen en van hij wel eens een kusje stal, in het prieel aan het boslaantje.
Nee, liefde was iets anders dan het heerlijke en onbezorgde rollebollen  met de snollen van Metz. Wel had hij heel even spijt gehad toen hij terug moest naar zijn onderdeel en had hij, heel even, met de gedachte gespeeld om bij haar te blijven. Maar Lisette zelf was slim genoeg om te beseffen dat dat hopeloos zou zijn. “Waar moet je van leven, mon amour?” had ze gevraagd, “je bent een Boche in Frankrijk, na de oorlog heb je hier niets. Zelfs nu willen de mensen je niet. Ja, bien, jullie zijn de bezetters in uniform en daardoor durven ze niets te ondernemen, mijn fiere landgenoten, maar geloof me, het gaat niet. Ik ben maar een snolletje en verdien geld op de straat. Maar jij hebt een uniform en je bent officier en je hebt je eed aan je land gezworen, hoe ik dat land ook verfoei.” Ze had gelijk gehad natuurlijk en met hangende pootjes en vol liefdesverdriet, maar ook opgetogen om al wat ze meegemaakt hadden, waren ze teruggegaan. Hij had nog een paar brieven aan haar geschreven, maar nooit iets terug ontvangen en nu was ze niet meer dan een mooie herinnering in zijn leven. Helmut kreeg nog wel een enkele keer een brief van  Brigitte, zijn mollige vriendinnetje, die hij altijd liefkozend ‘Schweinchen’ noemde, maar die kon ook, op zijn navragen, alleen maar antwoorden dat Lisette de stad uit was. Waar naar toe? “Je ne sais pas, donc.”
Na hun terugkeer was het regiment korte tijd later naar het zuiden afgemarcheerd en waren sinds eind mei ingedeeld bij het eerste leger onder Von Fabeck. Ze hadden loopgraven betrokken in het gebied Thiepval en Hamel en ze verdedigden daar de brug over het riviertje de Ancre en de spoorlijn van Albert naar Arras, die door het dal van de rivier liep. De dienst was hier vrij rustig geweest. Behoudens de patrouilles in het frontgebied en de schotenwisselingen over en weer hadden zij van het 73ste zich een beetje met vakantie gewaand. De dienst was ook niet al te zwaar en, in tegenstelling tot de vreselijke modder van Vlaanderen, hadden ze hier harde behuizing uit kunnen graven in de krijtrotsen. De loopgraven waren bijna altijd droog, zelfs na de stortbuien van de afgelopen herfst en de sneeuwval van de vrij zachte winter. Het eten werd op tijd opgevoerd uit de keukenwagens en was altijd nog zo goed aal warm en zelf redelijk eetbaar, hoewel de Goulash hun af en toe de oren uitkwam. Tot de eerste juli. Toen zetten de geallieerden een enorm offensief in over een front van wel 30 kilometer lengte, vanaf de rivier de Somme, tot aan bijna bij Arras. Ze waren overdonderd geweest door het hevige granaatvuur dat uren had geduurd, maar dat relatief weinig slachtoffers had gemaakt, doordat ze zo perfect ingegraven hadden gezeten.
Daarna waren de Britse soldaten uit hun loopgraven geklommen en waren ze opgemarcheerd naar hun linies. Een moordpartij was het geweest. De Tommy’s, zoals de Engelsen hun soldaten liefkozend hadden genoemd, waren met hun volle bepakking van misschien wel 30 kilo zwaar op hun rug, het niemandsland ingelopen en was een gemakkelijke prooi geworden voor de snel schietende Spandau machinegeweren die aan hun zijde stonden opgesteld. Maar ook de gewone artillerie had zich met liefde van de taak gekweten en rij naar rij werden de jonge mannen neergemaaid. Er gingen geruchten dat die eerste dag al 40.000 Britten waren gesneuveld. Keer op keer sloeg zijn regiment de aanvallen af en na bijna twee maanden vechten hadden ze slechts vijftien kilometer terrein hoeven prijsgeven. Ze waren uiteindelijk teruggetrokken op de lijn Courcelette-Martinpuich. Hoewel ze natuurlijk verliezen hadden geleden, was zijn peloton niet al te veel uitgedund. Ze waanden zich gelukkig daarmee en het moreel van de troep was goed.

Toch herinnerde hij zich niet veel meer van zijn thuiskomst. Hij wist zich niets meer te herinneren van de aankomst op het station Hildesheim, of de tocht op de tram naar huis, over de Marktplatz, langs de Andreaskerk met zijn 1115 meter hoge toren of langs de vakwerkhuisjes van de historische binnenstad. Ook zijn thuiskomst was het vreemd, Hij wist niet meer of Papa, die ‘Stadsrath’ was, nu in de deur opening gestaan had, of dat Mama een pianoles leerling had gehad en wat ze dan gegeten hadden? Ook zijn zus Clara had hij niet gezien, merkwaardig, want hij en Clara waren altijd heel dik met elkaar geweest. Vanaf hun jeugd waren ze veel met elkaar opgetrokken, maar na de dood van Herbert, de oudste van de drie kinderen, waren ze nog meer naar elkaar toegegroeid.
Herbert was al jong als cavalerist in dienst gegaan en had, zoals vele van zijn lotgenoten, vlieger geworden en was in een gevecht met een Franse machine gesneuveld, tijdens een van de eerste weken van de oorlog. Hij was toen net aan het Oostfront aangekomen toen hij het nieuws hoorde en het had wat in hem gebroken. Sinds die tijd schreven Clara en hij elkaar minstens een keer per week. Zelfs tijdens zijn bandeloze orgie had hij op een ochtend, toen zijn lijf helemaal leeg was van de nacht met Lisette, een mooie, lange brief geschreven, waarin hij zich wat cynisch beklaagde over zijn lot als arme frontsoldaat met verlof.

“Herr Leutnant,  Herr Leutnant, wakker worden, kom snel alstublieft, er is een ordonnans voor U.” Johann, de dikke Oost Friese ex-kok uit  Emden schudde hem aan zijn schouder wakker. “Wach doch mal auf, Menschl!” “Ja, ja, ik ben al wakker. Waar brand het dan man?”, nog slaapdronken zag hij zijn droom van thuis in een keer, als de bekende zeepbel uit elkaar spatten en hij wist meteen weer waar hij was.
Granaatvuur klonk, geweerschoten, het ratelen van een Spandau en, daar hoog boven uit, het iele geknetter van een explosie motor van een vliegtuig.
Het front, de Somme, september ’16, de slag die al maanden duurde.
Hij keek, nog wat slaapdronken, naar zijn oppasser en vroeg nog maar eens wat er aan de hand was. “Er staat een ordonnans voor U, buiten. Hij komt van de ‘groep’ en heeft en belangrijke boodschap voor U.” De ‘groep’ was hun benaming voor het staf hoofdkwartier dat zich een paar kilometer achter het front lag, in een helemaal stukgeschoten vlek op de kaart dat Le Sars heette en dat, voor het in een hoop puin en stenen was veranderd, al niet veel was geweest en waar de kolonel met zijn staf nu huisde in een voormalige boerenschuur, die zo veel mogelijk als het kon opgeknapt was door de pioniers compagnie van het regiment. Hij gooide de deken van zich af, wreef de slaap uit zijn ogen en stak een sigaret op. Zijn pakje Roth-Händle was zo goed als leeg zag hij. Hij maakte een mentale noot  om morgen  bij de eten brengers te vragen of ze sigaretten voor de troep mee konden brengen, de mannen zouden ook al wel door het rantsoen heen zijn.
“Een loper?”, hij gebruikte de bijnaam voor ordonnans,  “Als groep een loper stuurt dan moet het wel belangrijk zijn. Johann, zijn de telefoonlijnen nog wel in orde?”  “Alles bestens, Herr Leutnant”, die zijn vanmiddag nog getest.” Hij liep zijn in de krijtwand uitgehouwen slaap nis uit en zag de ordonnans in de loopgraaf staan. De man was in volledige bepakking, het geweer aan de schouder. Zoals het hoorde had hij de helm onder de linkerarm geklemd en hij zag dat de man een sluike, bruine haardos had, die over zijn voorhoofd viel. De ordonnans had fletse blauwe ogen en een modieus tandenborstel snorretje. Al met al maakte hij, zelfs voor een ‘Sommenkämpfer’, zoals deze veteranen zich zo graag noemden, een wat ziekelijke indruk. Hij had het IJzeren Kruis tweede klasse op de linker borst en aan zijn insignes op de schouders zag hij dat de man tot het Beierse 6e regiment behoorde. Dat was merkwaardig want dit regiment lag verder naar het zuiden, bij Peronne. De man sprong ‘model’ in de houding en meldde zich: “Gefreite Hiedler, 6e Beierse regiment, zum Befehl, Herr Leutnant.” De stem klonk wat zangeriger en een ander accent dan Beiers klonk er door. “Plaats rust, Gefreite Hiedler”, zei hij. “Als ik vragen mag, waar komt U vandaan?” “Gestatten Sie, Herr Leutnant? De naam is Hítler en ik ben geboren in Braunau, in Oostenrijk, maar ik heb voor het Duitse leger gekozen, uit bezieling voor het Groot Germaanse volk, Herr Leutnant. Een volk dat nu strijd levert voor een Groot Duits Rijk, onder de bezieling van de Kaiser om zo Europa te redden van het Joodse vraagstuk.” De man, die niet al te groot was, leek onder het uitspreken van die woorden haast te groeien. Hij had niet zo veel behoefte aan een gesprek over het Groot Germaanse volk, waarvan de jeugd volgens hem lag dood te bloeden vanaf de Noordzeekust tot voorbij Verdun, en hij begreep de uitspraak over het Joodse vraagstuk al helemaal niet, maar hij had ook geen zin om daar met deze wat aparte Oostenrijker daarover in discussie te gaan.
“Het is goed, man, wat brengt je hier?” “Ik was op het staf hoofdkwartier van Uw regiment om bijzondere berichten te brengen, Herr Leutnant, en op de terugweg vroeg men mij deze orders bij U te brengen. Uw regiment heeft schijnbaar niet al te veel ‘lopers’ meer.” Hierbij overhandigde hij hem een verzegelde enveloppe. Hij bedankte de korporaal en tekende voor ontvangst. De man verdween. Maar niet uit zijn leven.
Hij liep naar buiten waar het licht nu eenmaal beter was. Hij verbrak de zegels en opende de envelop.
Hij las de gebruikelijke aanhef en las snel door naar de eigenlijke inhoud.
Verrek, nou, dacht hij, wat is dit? “Bevordering tot Hauptmann met onmiddellijke ingang en bevel over 7e compagnie IIIe Bataljon 73e regiment fuseliers, ingedeeld bij het Eerste leger onder bevel van Oberst General Von Fabeck. Ingaande op de 7e september 1916, gedaan te, enzovoort, enzovoort.” Dat was morgen trouwens al. Hij ging naar zijn compagnies commandant en liet de orders zien. “Nou, zo zal het zijn, mijn jongen”, zei die kapitein. “Gefeliciteerd met je bevordering en succes. Ik zorg voor het verdere papierwerk. Hou je taai verder. Je bent een bekwaam officier en ik denk dat je het wel gaat redden.”
Die nacht nam hij afscheid van zijn ‘ratten’ zoals hij ze liefkozend noemde, ouwe mannen nu al, sommigen net negentien, en vaak nog baardeloos, maar veteranen van vele slagen en gehard in hun wereld. Ze hadden hun onschuld en hun jeugd al lang verloren en keken hol en grauw uit hun ogen. Die avond bezatte hij zich.

De volgende morgen pakte hij met een zwaar hoofd zijn weinige bezittingen en uitrustingstukken in zijn knapzak en zijn plunjebaal, sloot deze laatste af met een hangslot en een beugel en liet die onder de hoede van Johann achter die zorg zou dragen voor transport naar zijn volgende post. Zijn trouwe oppasser had tranen on zijn ogen toen ze elkaar een mannelijke hand gaven. “Wie weet Johann, zien we elkaar gauw weer terug. Maar zeker na de oorlog, dan zien we elkaar weer, beloofd?”
Het derde bataljon lag een paar kilometer noordelijker en het hoofdkwartier lag in Bapaume.
Nadat hij zich gemeld had bij de adjudant onderofficier, ‘de vader van het bataljon’, had deze goedmoedige beroeps onderofficier hem bij de overste die bataljonscommandant was naar binnen gebracht. Overste Lutze had hem een stevige linkerhand gegeven, “de rechter ligt in de modder van Ieper, mijn jongen”, en had hem verteld dat de zevende nogal wat verliezen had geleden bij een tegenaanval om een door de Brit ingenomen loopgraaf. De compie’s commandant, een oudere reserve majoor, was hierbij gesneuveld en het had Lutze goed geleken om hem de bevordering en het commando over de compagnie te geven. De zevende betrok een stelling aan beide zijden van de weg tussen Longueval en Flers, met het Bos van Delville in hun voorterrein.
Zijn compagnie had toevallig een week rust, na twee weken in de loopgraven doorgebracht te hebben. Daar trof hij zijn mannen aan, tijdelijk onder het bevel van zijn tweede man, een luitenant die hij vaag kende. Deze vertelde hem dat, hoewel ze behoorlijk  veel verliezen hadden geleden, de moraal van de troep nog ongebroken was.
Hij zocht ze op. De mannen hadden wat oude gebouwtjes in Flers, een verder kaal en stukgeschoten dorp, betrokken en rookten en lagen in het gras en genoten van het mooie nazomerweer. Een paar groepen speelden kaart, er werd gevoetbald, de onderofficieren hadden een eigen verblijf in elkaar gezeten hadden daarin een bar getimmerd. Er werd gelachen, er was de niet te missen soldaat die mondharmonica speelde en alles ademde de sfeer uit van een compagnie die net uit de loopgraven kwam. De meesten jongens, want hoewel hij nauwelijks ouder was dan hen, en vaak jonger dan de onderofficieren, beschouwde hij zijn troep al gauw als zijn jongens, gebruikten hun rusttijd om zich te laten knippen en scheren,  hun kleding te herstellen en te vervangen en voornamelijk door veel te rusten. Hiermee gaven ze blijk dat ze echte veteranen waren want de oude soldaten zegswijze luidde immers: ‘Rust wanneer je rusten kan, eet wanneer je eten kan’.
Hij sprak met zijn officieren en met Schmidt, de sergeant majoor van de compagnie en later, apart, met de onderofficieren en kreeg zo een aardige indruk van zijn commando.
Er waren goede en slechte soldaten, er waren de slimmeriken en de dommen, de gewieksten en de naïevelingen, de voorzichtige en de doldrieste, de werkers en de lijntrekkers, kortom, een doorsnee compagnie van een willekeurig doorsnee leger.
De rest van de week ging heen met oefeningen en exercitie.
Vrijdag de twaalfde september was het weer tijd om de tweede compagnie af te lossen en die ochtend om drie uur was het reveille. De mannen ontbeten en scheerden en wasten zich voorlopig voor de laatste keer uitgebreid, want ‘vooraan’, zoals ze het noemden, zou er weinig van kunnen komen. Om vier uur liet hij appèl houden. Nadat een ieder correct en present was afgemeld door sergeant majoor Schmidt, schouderden de mannen hun dertig kilo zware bepakking en hun wapen en zo marcheerde de 7e compagnie op naar de achterste linies, om zo de voorste loopgraven te bereiken. Hij liet de mannen ‘vrij in het gelid’ lopen. Zijn ervaring van het in strakke formatie oprukken of opmarcheren was dat ze zodoende een niet te missen prooi konden zijn voor ‘Feindflieger’. Hoewel het nog behoorlijk donker was, wist hij dat de Britse vliegeniers bij het aanbreken van de dag al over de linies vlogen om zo troepenverplaatsingen te observeren en eventueel te beschieten. Ook droegen die Sopwith’s en Avro’s vaak bommen aan boord. Dat die misschien wel niet zoveel kracht hadden zou wel zo zijn, maar hij nam liever geen enkel risico en wilde het leven van zijn jongens niet nodeloos in gevaar brengen. Dat zou in de twee weken frontdienst vaak genoeg gebeuren.  Het regende, zoals al de hele maand september, onafgebroken. Het door granaten omwoelde veld lag er modderig bij en onder de loodgrauwe hemel leek het landschap nog mistroostiger dan het al was. Ze kwamen via de ondersteuningslinie, waar de compagnies verbandplaats was gevestigd en door de verbindingsloopgraaf in de voorste linie. Zijn mannen werden door de af te lossen manschappen op de bekende soldaten manier begroet: “Zo luie zwijnen van de zevende, mietjes! Konden jullie de hoeren zo maar loslaten? Is er nog wat te naaien voor ons of hebben jullie al die wijven al met syfilis besmet?” “Het is hier Frontdienst hoor, dus jullie kunnen je slippers in je rugzak laten zitten! Nou, dan gaan wij naar achteren en zullen we die Franse snollen eens laten zien wat echte kerels zijn!” “Helmutt, weet jij het verschil tussen de zevende compie en een half voetbalveld?  Nou, een half voetbalveld heeft een doel!” en meer van dat soort fraais werd geroepen.
Hij lachte. Soldaten humor. Altijd to the point. Maar ook zijn mannen deden niet onder voor de soldaten van de tweede. “Jungs, hoor eens, wat is het verschil tussen circus Renz en de tweede compagnie? Het circus Renz heeft alle tenten, maar de tweede heeft alle clowns.” “Du Franz”, riep Gefreite Jurgen, die de lolbroek van de troep was, “heb je het al gehoord? De tweede compagnie is apart uitgezocht door de selectie commissie.” “Wie so dass denn?” was de weder vraag van Franz. “Nou, in de tweede compagnie mogen de kerels geen van allen een lul hebben die langer is dan drie centimeter. Als ’t ie stijf is natuurlijk!” Gelach en gevloek en meer beledigingen van de tweede. Ze namen ondertussen hun plaatsen in en de afgeloste troep verzamelde hun spullen en onderofficieren probeerden wat rust in hun kerels te krijgen. Zijn beide luitenants deelden hun pelotons in en wisselden ervaringen uit met hun tegenhangers van de tweede. Hij zocht kapitein Henzemann op, de commandant van de tweede. Ze begroetten elkaar hartelijk. Ze kenden elkaar nog van de tijd bij Langemark en waren vrienden geworden. “Nou man, blij dat je er bent. Ik heb een reuze zin in een Franse meid en een Duitse schnaps. Het is hier voor zijn doen redelijk rustig. We hebben maar twee man verloren de afgelopen week, dus dat gaat nog. Oh ja, er zitten nieuwe tegenover ons. Volgens mijn mannen zijn het Nieuw Zeelanders. Waar ze die voor de Teufel vandaan hebben gehaald is me een raadsel, trouwens. Maar ja, die verrekte Britten met hun Empire! M’n broer is vliegenier, in de buurt van Verdun zit die, en die vertelde me dat ‘ie zwarte soldaten had gezien vanuit de lucht. Zwarten! Verdammt, kunnen die al met Europese geweren omgaan? Ik dacht dat die nog met assegaaien liepen te zwaaien. Maar, ik heb nog steeds twee luisterposten ’s avonds in de voorste lijn en die melden eigenlijk niet veel. De vierde zit links van je en er komt morgen een nieuwe compie aan je rechterhand. Dat zijn vooral jonge jongens, die zo uit de Heimat komen, trouwens, dus let goed op dat die geen stunten uithalen door op je etenhalers te schieten”, grijnsde hij wat zuur. “Maar verder is het zo stil dat er wel eens storm op til kon zijn. Nou ja, ik ze je volgende week weer en daarna ga ik met verlof naar huis.” Henzemann pakte zijn spullen en na nog een warme handdruk verliet hij zijn onderkomen dat tevens dienst deed als compagnieskantoor. Iets later betrad de compagnies sergeant majoor, Feldwebel Schmidt, de “Mutter der Kompanie’, zo geliefd bij de compie dat hij door iedereen Nonkel Paul werd genoemd, het verblijfje en liet zijn rugzak in een hoek zakken. Schmidt was met zijn zevenenderig jaar de oudste van de troep en een van de weinige beroepsmilitairen. Hij diende al in het leger vanaf zijn zestiende en had gedacht alles al eens gezien en meegemaakt te hebben. Maar ook voor hem waren de verschrikkingen van deze oorlog helemaal nieuwe.  “De schrijver komt zo, kapitein, hij is nog in de telefooncentrale om het logboek te halen. Mensch, bin ich fro dat we hier in de krijtgrond zitten en niet meer in die vervloekte modder van Vlaanderen!”
Daar was hij het helemaal mee eens. Doordat de grond hier steviger was konden de loopgraven uitgehakt worden in de bodem en was er ook de mogelijkheid om verblijven voor de manschappen aan te leggen. Ook was de afwatering beter, hoewel er nog steeds overal vlonders lagen, die voor droge voeten moesten zorgen. In Vlaanderen en vooral in het gebied rond Ieper was de grond kleiachtig en bleef het water staan. Na een paar fikse regenbuien, zoals nu in de herfst van ’16, soms wel 30 centimeter hoog. De schoenen en sokken verrotten dan aan de voeten van de soldaten in de loopgraven en dat leidde dan weer tot de zogenaamde ‘loopgraafvoeten’ waarbij de huid zo nat bleef dat er versterf optrad en soms moesten voeten worden geamputeerd. Omdat het daar op sommige plaatsen gewoonweg onmogelijk was om in de grond te graven ‘groeven’ ze maar op de grond, door borstweringen van zandzakken of kisten met aarde op te werpen. Gelukkig kwam dat soort narigheid hier aan het front een stuk minder voor. Hij wachtte tot de schrijver, die tevens zijn oppasser was, binnen was gekomen en dicteerde snel zijn orders voor de nacht. Hij kon het bijna uit zijn hoofd doen, ze verschilden niet veel van de orders die hij eerder had uitgebracht. Hij wendde zich tot Schmidt en even later liepen zij hun rondje door de loopgraafsectie aan hun toegewezen. Ze liepen de smalle gegraven gang door die hier en daar scherpe knikken maakte en in een zigzag patroon liep. Het stonk er naar dood en verderf, naar urine en uitwerpselen en bedorven voedsel en overal de stank van lijken die, half of geheel vergaan, tussen de linies in lagen in het niemandsland. Soms, tijdens rustpauzes aan het front, werden ze geborgen door speciale troepen van beide zijden. Een karwei dat niemand die mannen benijdde maar een karwei ook dat door alle strijdende partijen werd gerespecteerd en de ‘lijkenhalers’ zoals deze troepen genoemd werden, werd dan ook geen strobreed in de weg gelegd. Af en toe stapte hij op de borstwering en begroette de soldaat die daar zijn post had. De rest van de mannen genoot van de relatieve rust die momenteel heerste. Tegen de avond zou de hele club weer op hun alarmposten staan, net als bij het aanbreken van de dag trouwens. De kans op een vijandelijke aanval was het grootst op die momenten. Hij bezocht de drie in de borstwering uitgehouwen bomvrije manschapsverblijven en Schmidt en hij merkten dat de sfeer onder de mannen goed was. Er werd Skat gespeeld, hier en daar las iemand een boek, de eerste schaak competities waren al weer aan de gang en de onvermijdelijke ‘Heini’ met zijn mondharmonica speelde weemoedige deuntjes over een of andere geliefde thuis, in het land waar de bloemen bloeiden en de meisjes blond waren en blauwe ogen hadden en gewillig waren. Schmidt had hier en daar het meters dikke prikkeldraad verkend en met een grote grijns gezegd dat die ‘Engländer’ daar niet door zouden komen. “Tja”, had hij gezegd, “als die vervluchte Engländer maar geen trucje verzinnen om wel over dat draad te komen, Nonkel Paul, dan vind ik het goed.”
Af en toe gaf Schmidt, goedbedoeld, een soldaat een tik op zijn helm om hem op iets te wijzen of om iets aan zijn tenue te laten veranderen. Hij grijnsde: “Gelukkig maar dat we nu allemaal een Stalhelm hebben Nonkel, anders zat je met je helm in de punt van de Pickelhaube.” Schmidt grijnsde terug: “Blij toe, kap’tein, van die verrekte punthelmen werd je gestoord. En wat een pracht doel voor scherpschutters, warend ie krengen, man. Ik heb in Houthulst eens zes man verloren op één dag door zo’n verrekte Belgische schutter. Nee, deze helmen bevallen me beter en ze zijn niet zo verrekte zwaar ook.”
Ze maakten hun ronde af en daarna begon eigenlijk de doodsaaie routine van de loopgraven oorlog. Twee keer per dag alarm, bij zonsopgang en zonsondergang, elke vier uur aflossing van de wachten, het hoogtepunt van de dag als er om zes uur ’s avonds eten gebracht werd door de aangewezen ‘etenhalers’, ’ s machts zond hij luisterposten uit die bijna in de loopgraven van de vijand zaten, hij schreef zijn rapporten en was behoorlijk in zijn sas toen hij zijn voorstel om Nonkel Paul tot ‘Offizier-Stellvertreter’ te benoemen in goede bewoordingen had samengevat en met een loper naar het hoofdkwartier van het Bataljon had gestuurd. Dat zou Schmidt vijftig mark in de maand meer kunnen opleveren. Een Feldwebel verdiende nu rond de zestig mark en dat was, ook met de toeslagen die hij kreeg, geen echte vetpot. Alles dus routine, ja en doodsaai, zolang het front stil was. En dat was het Somme front, in elk geval hun gedeelte daarvan in deze dagen in september ’16. Maar niet lang meer.



Geen opmerkingen:

Een reactie posten