1
Toen hij
eindelijk, na een diepe en verkwikkende slaap, wakker werd was de eerste
gedachte die door hem heen schoot dat het dus zo was om weer thuis te zijn, dat
het dus zo was om weer normaal te leven. Dat er dus eindelijk vrede was
gekomen. En dat hij nog leefde! Hij had dus twee jaar hel overleefd en was er
ook nog redelijk ongeschonden uitgekomen. Dit was dus thuis. Dit was goed. Hij
opende langzaam zijn lodderige ogen en zag de zon zacht door de gordijn vallen
en lichtvlekken over de in zachte pasteltinten geverfde muren trekken. Hij wist
nog dat hij voor het laatst in zijn jongens slaapkamer had geslapen de dag voor
hij naar het front vertrok. Zij compagnie had toen een dag verlof gekregen,
voor ze naar de treinen, die hen naar het front zouden brengen, moesten gaan.
Hij keek naar boven door wimpers die nog zwaar waren van de diepe en genezende
slaap waarin hij gedompeld was geweest. Hij zag de verf die wat afgebladderd
was bij de vochtplek in de hoek, waar ooit eens tijdens een enorme onweersbui
een afgebroken tak van de grote beuk naast het huis op het dak was
terechtgekomen, de verkleuring van de muur daaronder, waar, door het
vocht, het behang nooit meer goed zou
houden, zijn boekenplankjes waarop boeken Karl May en August Niemann stonden.
Maar ook Vergilius’ Aeneas en andere
schoolboeken en hij lachte inwendig toen hij bedacht hoe Herr Zucker, de
leraar Latijn aan het gymnasium, hun op de dag dat ze zich hadden aangemeld
voor dienst in het regiment, had voorgehouden om schoolboeken mee te nemen. Ze
hadden zich in de eerste schoolweek, half juli van 1914, collectief aangemeld
om dienst te nemen. Ze hadden al lang door dat de moord op de Oostenrijkse
aartshertog Frans Ferdinand een oorlog zou kunnen inhouden, temeer daar de
Servische regering niet inging op het ultimatum dat de Oostenrijkers hadden
gesteld. De Kaiser was er natuurlijk als de kippen bij geweest om op 5 juli de
Oostenrijks-Hongaarse regering toe te zeggen dat hij vond dat zij zo snel
mogelijk de oorlog met Servië aan moesten gaan. Hij verzekerde de zuiderburen dat
hij een interventie van Rusland zou beantwoorden met een oorlogsverklaring. Hun
klassenleraar, Herr Köster, die ook hun Landwehr officier was, was een gewezen
officier uit de oorlog van ’70 – ’71, had hun aangeraden zich nu vrijwillig te
melden. “De oorlog zal kort worden, mannen”, hij had hun altijd mannen genoemd,
alsof hij het nog tegen zijn compagnie in de slag bij Metz had gehad, “meld je
nu, dan pik je nog wat eer mee. Deze oorlog zal de laatste zijn waar ons
Vaderland aan mee zal doen, want we staan nu op de hoogste toppen van
beschaving en alleen de Engelsen kunnen met ons wedijveren. Maar, zij de wereld
en de koloniën, wij Europa, zo zal de toekomst worden.”
Ze reisden de
week daarop al met de trein naar Hannover reisden, waar het 73ste
regiment fuseliers, onder generaal veldmaarschalk Prins Albrecht, bevelhebber
van het 10e leger, in garnizoen lag en waar ze zouden worden
opgeleid. Köster en Zucker hadden hen nog uitgezwaaid en de laatste had hen
nageroepen: “dat ze dan tijdens hun pauzes flink moesten studeren, dan konden
zich voorbereiden op hun verdere leven, na de oorlog.” Alsof er pauzes waren
geweest, daar bij Tannenberg, Ieper en Langemark.
Ze hadden een
verkorte en versnelde militaire basisopleiding gevolgd en waren na vier weken
soldaat. Wat waren ze trots geweest op hun ‘Feldgrau’ uniform met de
‘Pickelhaube’, de helm met de piek erop. Hun regimentsnummer hadden ze op de schouderstukken genaaid en hun laarzen
glommen als ‘een hondenlul in de maneschijn’ zoals Unteroffizier Breyer, hun
opleiding sergeant, het altijd had genoemd.
Heel snel daarop
waren ze met de trein naar Oost Pruisen vertrokken en waren ze op de
vijfentwintigste augustus in Osterode aangekomen. Die hele dag en de volgende
hadden ze gemarcheerd en uiteindelijk waren ze net op tijd geweest om de
laatste vier dagen van de enorme veldslag tegen de Russen, bij Tannenberg, mee
te maken. Zijn bataljon had zoveel verliezen geleden dat hij na de slag al
bevorderd was tot korporaal. Ook had hij hier zijn IJzeren Kruis Tweede klasse
ontvangen, nadat hij, samen met een gewonde kok, een eskadron huzaren op de
vlucht had gejaagd door hun onophoudelijk te bestoken met machinegeweervuur,
waarbij de kok als lader optrad.
Albrecht was daar
al op de eerste dag, gevallen en dikke Heinz ook. Georg was afgevoerd met een geamputeerde arm,
zeventien jaar jong. Manfred was blind geworden toen een handgranaat te vroeg
in zijn hand ontplofte.
Van de officieren
en onderofficieren was de helft gesneuveld of zwaar gewond geraakt. De
verliezen aan hun kant waren 10.000 doden en gewonden geweest, terwijl de
vijand 30.000 verliezen had. Daarbij waren ook nog eens 90.000 krijgsgevangen
gemaakt.
Toen de Russische
winter inviel was zijn regiment naar het westfront gezonden en ingedeeld bij
het tweede leger. Voor hem had het de officiersschool betekent, waar hij een
half jaar had gezwoegd op de leerstellingen van Clausewitz en Scharnhorst en andere veldheren. Verlof had hij niet
gekregen en na zijn aanstelling tot ‘Unterleutnant’ werd hij alsnog naar het
westen gezonden, waar hij zijn regiment terugvond in betrekkelijke rust in de
Artois. Hij had een peloton toegewezen gekregen, allemaal veteranen die al
vanaf augustus ’14 hadden gevochten maar het kostte hem weinig moeite om zijn
plek te vinden en de mannen begonnen hem al gauw te mogen. Natuurlijk ook omdat
hij er een van hen was geweest, en ook in de modder had gelegen en ook in koude
en hitte had gemarcheerd, luidkeels hun onderofficieren en officieren
vervloekend voor weer een order en weer een tegenorder, voor weer een
geforceerde dagmars een weer een contra mars. Hij sprak hun taal en zij de
zijne.
Hij had verlof
gevraagd en gekregen maar verder dan Metz waren hij en zijn mede luitenants
Anton en Helmut niet gekomen. De rest van de week hadden ze zuipend en
hoererend in de bordelen van de stad doorgebracht en na die week waren ze
geradbraakt en kapot terug gekomen. Hun eerste liefdesavonturen, hadden ze het
maar genoemd, een beetje beschaamd. Ze waren alle drie inderdaad als maagd aan
hun verlofweek begonnen maar Lisette, zijn vaste vriendin voor die week, had
wel geweten hoe ze hem de liefde moest bij brengen. Nou ja, liefde, lust, meer
was het niet. Zij was ingewijd in alle knepen van haar vak en deed het met
verve. Bij haar en met haar beleefde hij zaken en zag hij dingen die hij nooit
gezien had, zelfs niet op de bruingelige foto’s die ‘Vieze Hans’ stiekem meenam
naar school en die uit de collectie van zijn vader, een bioscoop exploitant,
afkomstig waren. Daar stonden stevige rondborstige dames en heren met machtige
snorren op in poses die bijna anatomisch onmogelijk waren. Ze hadden nooit
geweten dat de ‘daad’, waar ze altijd fluisterend over spraken en ’s nachts
heimelijk aan dachten met hun handen onder de dekens, er zo uit moest zien.
Blijkbaar was hij een zo goede en enthousiaste leerling geweest dat Lisette na
een dag of wat al verzuchtte dat hij “Le grand Amand” was van haar leven. Ook
zij had de nodige zuchten geslaakt en had verlangd naar meer, maar aan het
einde van de week had ze ook gezegd dat ze blij was dat haar lichaam even rust
kreeg. Het zou nog wel even duren voor ze weer een klant kon ontvangen, zo
opgezet en schrijnend was alles ondertussen bij haar geworden. Maar liefde?
Nee, dat had hij niet gevoeld bij haar. Verliefdheid, geilheid, ja, ze maakte
hem gek met haar blanke lijf, haar stevige kleine borsten met donkerbruine
tepels, de donkere driehoek tussen haar dijen met die aparte geur en smaak,
maar liefde? Nee, niet zo als bijvoorbeeld zijn jeugdliefde voor Greta, de
notarisdochter met wie hij in zijn tweede schooljaar had gelopen en van hij wel
eens een kusje stal, in het prieel aan het boslaantje.
Nee, liefde was
iets anders dan het heerlijke en onbezorgde rollebollen met de snollen van Metz. Wel had hij heel
even spijt gehad toen hij terug moest naar zijn onderdeel en had hij, heel
even, met de gedachte gespeeld om bij haar te blijven. Maar Lisette zelf was
slim genoeg om te beseffen dat dat hopeloos zou zijn. “Waar moet je van leven,
mon amour?” had ze gevraagd, “je bent een Boche in Frankrijk, na de oorlog heb
je hier niets. Zelfs nu willen de mensen je niet. Ja, bien, jullie zijn de
bezetters in uniform en daardoor durven ze niets te ondernemen, mijn fiere
landgenoten, maar geloof me, het gaat niet. Ik ben maar een snolletje en
verdien geld op de straat. Maar jij hebt een uniform en je bent officier en je
hebt je eed aan je land gezworen, hoe ik dat land ook verfoei.” Ze had gelijk
gehad natuurlijk en met hangende pootjes en vol liefdesverdriet, maar ook
opgetogen om al wat ze meegemaakt hadden, waren ze teruggegaan. Hij had nog een
paar brieven aan haar geschreven, maar nooit iets terug ontvangen en nu was ze
niet meer dan een mooie herinnering in zijn leven. Helmut kreeg nog wel een
enkele keer een brief van Brigitte, zijn
mollige vriendinnetje, die hij altijd liefkozend ‘Schweinchen’ noemde, maar die
kon ook, op zijn navragen, alleen maar antwoorden dat Lisette de stad uit was.
Waar naar toe? “Je ne sais pas, donc.”
Na hun terugkeer
was het regiment korte tijd later naar het zuiden afgemarcheerd en waren sinds
eind mei ingedeeld bij het eerste leger onder Von Fabeck. Ze hadden loopgraven
betrokken in het gebied Thiepval en Hamel en ze verdedigden daar de brug over
het riviertje de Ancre en de spoorlijn van Albert naar Arras, die door het dal
van de rivier liep. De dienst was hier vrij rustig geweest. Behoudens de
patrouilles in het frontgebied en de schotenwisselingen over en weer hadden zij
van het 73ste zich een beetje met vakantie gewaand. De dienst was
ook niet al te zwaar en, in tegenstelling tot de vreselijke modder van
Vlaanderen, hadden ze hier harde behuizing uit kunnen graven in de krijtrotsen.
De loopgraven waren bijna altijd droog, zelfs na de stortbuien van de afgelopen
herfst en de sneeuwval van de vrij zachte winter. Het eten werd op tijd opgevoerd
uit de keukenwagens en was altijd nog zo goed aal warm en zelf redelijk
eetbaar, hoewel de Goulash hun af en toe de oren uitkwam. Tot de eerste juli.
Toen zetten de geallieerden een enorm offensief in over een front van wel 30
kilometer lengte, vanaf de rivier de Somme, tot aan bijna bij Arras. Ze waren
overdonderd geweest door het hevige granaatvuur dat uren had geduurd, maar dat
relatief weinig slachtoffers had gemaakt, doordat ze zo perfect ingegraven
hadden gezeten.
Daarna waren de
Britse soldaten uit hun loopgraven geklommen en waren ze opgemarcheerd naar hun
linies. Een moordpartij was het geweest. De Tommy’s, zoals de Engelsen hun
soldaten liefkozend hadden genoemd, waren met hun volle bepakking van misschien
wel 30 kilo zwaar op hun rug, het niemandsland ingelopen en was een
gemakkelijke prooi geworden voor de snel schietende Spandau machinegeweren die
aan hun zijde stonden opgesteld. Maar ook de gewone artillerie had zich met
liefde van de taak gekweten en rij naar rij werden de jonge mannen neergemaaid.
Er gingen geruchten dat die eerste dag al 40.000 Britten waren gesneuveld. Keer
op keer sloeg zijn regiment de aanvallen af en na bijna twee maanden vechten
hadden ze slechts vijftien kilometer terrein hoeven prijsgeven. Ze waren
uiteindelijk teruggetrokken op de lijn Courcelette-Martinpuich. Hoewel ze
natuurlijk verliezen hadden geleden, was zijn peloton niet al te veel
uitgedund. Ze waanden zich gelukkig daarmee en het moreel van de troep was
goed.
Toch herinnerde
hij zich niet veel meer van zijn thuiskomst. Hij wist zich niets meer te
herinneren van de aankomst op het station Hildesheim, of de tocht op de tram
naar huis, over de Marktplatz, langs de Andreaskerk met zijn 1115 meter hoge
toren of langs de vakwerkhuisjes van de historische binnenstad. Ook zijn
thuiskomst was het vreemd, Hij wist niet meer of Papa, die ‘Stadsrath’ was, nu
in de deur opening gestaan had, of dat Mama een pianoles leerling had gehad en
wat ze dan gegeten hadden? Ook zijn zus Clara had hij niet gezien, merkwaardig,
want hij en Clara waren altijd heel dik met elkaar geweest. Vanaf hun jeugd
waren ze veel met elkaar opgetrokken, maar na de dood van Herbert, de oudste
van de drie kinderen, waren ze nog meer naar elkaar toegegroeid.
Herbert was al
jong als cavalerist in dienst gegaan en had, zoals vele van zijn lotgenoten,
vlieger geworden en was in een gevecht met een Franse machine gesneuveld,
tijdens een van de eerste weken van de oorlog. Hij was toen net aan het
Oostfront aangekomen toen hij het nieuws hoorde en het had wat in hem gebroken.
Sinds die tijd schreven Clara en hij elkaar minstens een keer per week. Zelfs
tijdens zijn bandeloze orgie had hij op een ochtend, toen zijn lijf helemaal
leeg was van de nacht met Lisette, een mooie, lange brief geschreven, waarin
hij zich wat cynisch beklaagde over zijn lot als arme frontsoldaat met verlof.
“Herr
Leutnant, Herr Leutnant, wakker worden,
kom snel alstublieft, er is een ordonnans voor U.” Johann, de dikke Oost Friese
ex-kok uit Emden schudde hem aan zijn
schouder wakker. “Wach doch mal auf, Menschl!” “Ja, ja, ik ben al wakker. Waar
brand het dan man?”, nog slaapdronken zag hij zijn droom van thuis in een keer,
als de bekende zeepbel uit elkaar spatten en hij wist meteen weer waar hij was.
Granaatvuur
klonk, geweerschoten, het ratelen van een Spandau en, daar hoog boven uit, het
iele geknetter van een explosie motor van een vliegtuig.
Het front, de
Somme, september ’16, de slag die al maanden duurde.
Hij keek, nog wat
slaapdronken, naar zijn oppasser en vroeg nog maar eens wat er aan de hand was.
“Er staat een ordonnans voor U, buiten. Hij komt van de ‘groep’ en heeft en
belangrijke boodschap voor U.” De ‘groep’ was hun benaming voor het staf
hoofdkwartier dat zich een paar kilometer achter het front lag, in een helemaal
stukgeschoten vlek op de kaart dat Le Sars heette en dat, voor het in een hoop
puin en stenen was veranderd, al niet veel was geweest en waar de kolonel met
zijn staf nu huisde in een voormalige boerenschuur, die zo veel mogelijk als
het kon opgeknapt was door de pioniers compagnie van het regiment. Hij gooide
de deken van zich af, wreef de slaap uit zijn ogen en stak een sigaret op. Zijn
pakje Roth-Händle was zo goed als leeg zag hij. Hij maakte een mentale
noot om morgen bij de eten brengers te vragen of ze sigaretten
voor de troep mee konden brengen, de mannen zouden ook al wel door het rantsoen
heen zijn.
“Een loper?”, hij
gebruikte de bijnaam voor ordonnans,
“Als groep een loper stuurt dan moet het wel belangrijk zijn. Johann,
zijn de telefoonlijnen nog wel in orde?”
“Alles bestens, Herr Leutnant”, die zijn vanmiddag nog getest.” Hij liep
zijn in de krijtwand uitgehouwen slaap nis uit en zag de ordonnans in de
loopgraaf staan. De man was in volledige bepakking, het geweer aan de schouder.
Zoals het hoorde had hij de helm onder de linkerarm geklemd en hij zag dat de
man een sluike, bruine haardos had, die over zijn voorhoofd viel. De ordonnans
had fletse blauwe ogen en een modieus tandenborstel snorretje. Al met al maakte
hij, zelfs voor een ‘Sommenkämpfer’, zoals deze veteranen zich zo graag
noemden, een wat ziekelijke indruk. Hij had het IJzeren Kruis tweede klasse op
de linker borst en aan zijn insignes op de schouders zag hij dat de man tot het
Beierse 6e regiment behoorde. Dat was merkwaardig want dit regiment lag
verder naar het zuiden, bij Peronne. De man sprong ‘model’ in de houding en
meldde zich: “Gefreite Hiedler, 6e Beierse regiment, zum Befehl,
Herr Leutnant.” De stem klonk wat zangeriger en een ander accent dan Beiers
klonk er door. “Plaats rust, Gefreite Hiedler”, zei hij. “Als ik vragen mag,
waar komt U vandaan?” “Gestatten Sie, Herr Leutnant? De naam is Hítler en ik
ben geboren in Braunau, in Oostenrijk, maar ik heb voor het Duitse leger
gekozen, uit bezieling voor het Groot Germaanse volk, Herr Leutnant. Een volk
dat nu strijd levert voor een Groot Duits Rijk, onder de bezieling van de
Kaiser om zo Europa te redden van het Joodse vraagstuk.” De man, die niet al te
groot was, leek onder het uitspreken van die woorden haast te groeien. Hij had
niet zo veel behoefte aan een gesprek over het Groot Germaanse volk, waarvan de
jeugd volgens hem lag dood te bloeden vanaf de Noordzeekust tot voorbij Verdun,
en hij begreep de uitspraak over het Joodse vraagstuk al helemaal niet, maar
hij had ook geen zin om daar met deze wat aparte Oostenrijker daarover in
discussie te gaan.
“Het is goed,
man, wat brengt je hier?” “Ik was op het staf hoofdkwartier van Uw regiment om
bijzondere berichten te brengen, Herr Leutnant, en op de terugweg vroeg men mij
deze orders bij U te brengen. Uw regiment heeft schijnbaar niet al te veel
‘lopers’ meer.” Hierbij overhandigde hij hem een verzegelde enveloppe. Hij
bedankte de korporaal en tekende voor ontvangst. De man verdween. Maar niet uit
zijn leven.
Hij liep naar
buiten waar het licht nu eenmaal beter was. Hij verbrak de zegels en opende de
envelop.
Hij las de
gebruikelijke aanhef en las snel door naar de eigenlijke inhoud.
Verrek, nou,
dacht hij, wat is dit? “Bevordering tot Hauptmann met onmiddellijke ingang en
bevel over 7e compagnie IIIe Bataljon 73e
regiment fuseliers, ingedeeld bij het Eerste leger onder bevel van Oberst
General Von Fabeck. Ingaande op de 7e september 1916, gedaan te,
enzovoort, enzovoort.” Dat was morgen trouwens al. Hij ging naar zijn
compagnies commandant en liet de orders zien. “Nou, zo zal het zijn, mijn
jongen”, zei die kapitein. “Gefeliciteerd met je bevordering en succes. Ik zorg
voor het verdere papierwerk. Hou je taai verder. Je bent een bekwaam officier
en ik denk dat je het wel gaat redden.”
Die nacht nam hij
afscheid van zijn ‘ratten’ zoals hij ze liefkozend noemde, ouwe mannen nu al,
sommigen net negentien, en vaak nog baardeloos, maar veteranen van vele slagen
en gehard in hun wereld. Ze hadden hun onschuld en hun jeugd al lang verloren
en keken hol en grauw uit hun ogen. Die avond bezatte hij zich.
De volgende
morgen pakte hij met een zwaar hoofd zijn weinige bezittingen en
uitrustingstukken in zijn knapzak en zijn plunjebaal, sloot deze laatste af met
een hangslot en een beugel en liet die onder de hoede van Johann achter die
zorg zou dragen voor transport naar zijn volgende post. Zijn trouwe oppasser
had tranen on zijn ogen toen ze elkaar een mannelijke hand gaven. “Wie weet
Johann, zien we elkaar gauw weer terug. Maar zeker na de oorlog, dan zien we elkaar
weer, beloofd?”
Het derde
bataljon lag een paar kilometer noordelijker en het hoofdkwartier lag in
Bapaume.
Nadat hij zich
gemeld had bij de adjudant onderofficier, ‘de vader van het bataljon’, had deze
goedmoedige beroeps onderofficier hem bij de overste die bataljonscommandant
was naar binnen gebracht. Overste Lutze had hem een stevige linkerhand gegeven,
“de rechter ligt in de modder van Ieper, mijn jongen”, en had hem verteld dat
de zevende nogal wat verliezen had geleden bij een tegenaanval om een door de
Brit ingenomen loopgraaf. De compie’s commandant, een oudere reserve majoor,
was hierbij gesneuveld en het had Lutze goed geleken om hem de bevordering en
het commando over de compagnie te geven. De zevende betrok een stelling aan
beide zijden van de weg tussen Longueval en Flers, met het Bos van Delville in
hun voorterrein.
Zijn compagnie
had toevallig een week rust, na twee weken in de loopgraven doorgebracht te
hebben. Daar trof hij zijn mannen aan, tijdelijk onder het bevel van zijn
tweede man, een luitenant die hij vaag kende. Deze vertelde hem dat, hoewel ze
behoorlijk veel verliezen hadden
geleden, de moraal van de troep nog ongebroken was.
Hij zocht ze op.
De mannen hadden wat oude gebouwtjes in Flers, een verder kaal en stukgeschoten
dorp, betrokken en rookten en lagen in het gras en genoten van het mooie
nazomerweer. Een paar groepen speelden kaart, er werd gevoetbald, de
onderofficieren hadden een eigen verblijf in elkaar gezeten hadden daarin een
bar getimmerd. Er werd gelachen, er was de niet te missen soldaat die
mondharmonica speelde en alles ademde de sfeer uit van een compagnie die net
uit de loopgraven kwam. De meesten jongens, want hoewel hij nauwelijks ouder
was dan hen, en vaak jonger dan de onderofficieren, beschouwde hij zijn troep al
gauw als zijn jongens, gebruikten hun rusttijd om zich te laten knippen en
scheren, hun kleding te herstellen en te
vervangen en voornamelijk door veel te rusten. Hiermee gaven ze blijk dat ze
echte veteranen waren want de oude soldaten zegswijze luidde immers: ‘Rust
wanneer je rusten kan, eet wanneer je eten kan’.
Hij sprak met
zijn officieren en met Schmidt, de sergeant majoor van de compagnie en later,
apart, met de onderofficieren en kreeg zo een aardige indruk van zijn commando.
Er waren goede en
slechte soldaten, er waren de slimmeriken en de dommen, de gewieksten en de
naïevelingen, de voorzichtige en de doldrieste, de werkers en de lijntrekkers,
kortom, een doorsnee compagnie van een willekeurig doorsnee leger.
De rest van de
week ging heen met oefeningen en exercitie.
Vrijdag de
twaalfde september was het weer tijd om de tweede compagnie af te lossen en die
ochtend om drie uur was het reveille. De mannen ontbeten en scheerden en wasten
zich voorlopig voor de laatste keer uitgebreid, want ‘vooraan’, zoals ze het
noemden, zou er weinig van kunnen komen. Om vier uur liet hij appèl houden.
Nadat een ieder correct en present was afgemeld door sergeant majoor Schmidt,
schouderden de mannen hun dertig kilo zware bepakking en hun wapen en zo
marcheerde de 7e compagnie op naar de achterste linies, om zo de
voorste loopgraven te bereiken. Hij liet de mannen ‘vrij in het gelid’ lopen.
Zijn ervaring van het in strakke formatie oprukken of opmarcheren was dat ze
zodoende een niet te missen prooi konden zijn voor ‘Feindflieger’. Hoewel het
nog behoorlijk donker was, wist hij dat de Britse vliegeniers bij het aanbreken
van de dag al over de linies vlogen om zo troepenverplaatsingen te observeren
en eventueel te beschieten. Ook droegen die Sopwith’s en Avro’s vaak bommen aan
boord. Dat die misschien wel niet zoveel kracht hadden zou wel zo zijn, maar
hij nam liever geen enkel risico en wilde het leven van zijn jongens niet
nodeloos in gevaar brengen. Dat zou in de twee weken frontdienst vaak genoeg
gebeuren. Het regende, zoals al de hele
maand september, onafgebroken. Het door granaten omwoelde veld lag er modderig
bij en onder de loodgrauwe hemel leek het landschap nog mistroostiger dan het
al was. Ze kwamen via de ondersteuningslinie, waar de compagnies verbandplaats
was gevestigd en door de verbindingsloopgraaf in de voorste linie. Zijn mannen
werden door de af te lossen manschappen op de bekende soldaten manier begroet:
“Zo luie zwijnen van de zevende, mietjes! Konden jullie de hoeren zo maar
loslaten? Is er nog wat te naaien voor ons of hebben jullie al die wijven al
met syfilis besmet?” “Het is hier Frontdienst hoor, dus jullie kunnen je
slippers in je rugzak laten zitten! Nou, dan gaan wij naar achteren en zullen
we die Franse snollen eens laten zien wat echte kerels zijn!” “Helmutt, weet
jij het verschil tussen de zevende compie en een half voetbalveld? Nou, een half voetbalveld heeft een doel!” en
meer van dat soort fraais werd geroepen.
Hij lachte.
Soldaten humor. Altijd to the point. Maar ook zijn mannen deden niet onder voor
de soldaten van de tweede. “Jungs, hoor eens, wat is het verschil tussen circus
Renz en de tweede compagnie? Het circus Renz heeft alle tenten, maar de tweede
heeft alle clowns.” “Du Franz”, riep Gefreite Jurgen, die de lolbroek van de
troep was, “heb je het al gehoord? De tweede compagnie is apart uitgezocht door
de selectie commissie.” “Wie so dass denn?” was de weder vraag van Franz. “Nou,
in de tweede compagnie mogen de kerels geen van allen een lul hebben die langer
is dan drie centimeter. Als ’t ie stijf is natuurlijk!” Gelach en gevloek en
meer beledigingen van de tweede. Ze namen ondertussen hun plaatsen in en de
afgeloste troep verzamelde hun spullen en onderofficieren probeerden wat rust
in hun kerels te krijgen. Zijn beide luitenants deelden hun pelotons in en
wisselden ervaringen uit met hun tegenhangers van de tweede. Hij zocht kapitein
Henzemann op, de commandant van de tweede. Ze begroetten elkaar hartelijk. Ze
kenden elkaar nog van de tijd bij Langemark en waren vrienden geworden. “Nou
man, blij dat je er bent. Ik heb een reuze zin in een Franse meid en een Duitse
schnaps. Het is hier voor zijn doen redelijk rustig. We hebben maar twee man
verloren de afgelopen week, dus dat gaat nog. Oh ja, er zitten nieuwe tegenover
ons. Volgens mijn mannen zijn het Nieuw Zeelanders. Waar ze die voor de Teufel
vandaan hebben gehaald is me een raadsel, trouwens. Maar ja, die verrekte
Britten met hun Empire! M’n broer is vliegenier, in de buurt van Verdun zit
die, en die vertelde me dat ‘ie zwarte soldaten had gezien vanuit de lucht.
Zwarten! Verdammt, kunnen die al met Europese geweren omgaan? Ik dacht dat die
nog met assegaaien liepen te zwaaien. Maar, ik heb nog steeds twee
luisterposten ’s avonds in de voorste lijn en die melden eigenlijk niet veel.
De vierde zit links van je en er komt morgen een nieuwe compie aan je
rechterhand. Dat zijn vooral jonge jongens, die zo uit de Heimat komen,
trouwens, dus let goed op dat die geen stunten uithalen door op je etenhalers
te schieten”, grijnsde hij wat zuur. “Maar verder is het zo stil dat er wel
eens storm op til kon zijn. Nou ja, ik ze je volgende week weer en daarna ga ik
met verlof naar huis.” Henzemann pakte zijn spullen en na nog een warme
handdruk verliet hij zijn onderkomen dat tevens dienst deed als compagnieskantoor.
Iets later betrad de compagnies sergeant majoor, Feldwebel Schmidt, de “Mutter
der Kompanie’, zo geliefd bij de compie dat hij door iedereen Nonkel Paul werd
genoemd, het verblijfje en liet zijn rugzak in een hoek zakken. Schmidt was met
zijn zevenenderig jaar de oudste van de troep en een van de weinige
beroepsmilitairen. Hij diende al in het leger vanaf zijn zestiende en had
gedacht alles al eens gezien en meegemaakt te hebben. Maar ook voor hem waren
de verschrikkingen van deze oorlog helemaal nieuwe. “De schrijver komt zo, kapitein, hij is nog in
de telefooncentrale om het logboek te halen. Mensch, bin ich fro dat we hier in
de krijtgrond zitten en niet meer in die vervloekte modder van Vlaanderen!”
Daar was hij het
helemaal mee eens. Doordat de grond hier steviger was konden de loopgraven
uitgehakt worden in de bodem en was er ook de mogelijkheid om verblijven voor
de manschappen aan te leggen. Ook was de afwatering beter, hoewel er nog steeds
overal vlonders lagen, die voor droge voeten moesten zorgen. In Vlaanderen en
vooral in het gebied rond Ieper was de grond kleiachtig en bleef het water
staan. Na een paar fikse regenbuien, zoals nu in de herfst van ’16, soms wel 30
centimeter hoog. De schoenen en sokken verrotten dan aan de voeten van de soldaten
in de loopgraven en dat leidde dan weer tot de zogenaamde ‘loopgraafvoeten’
waarbij de huid zo nat bleef dat er versterf optrad en soms moesten voeten
worden geamputeerd. Omdat het daar op sommige plaatsen gewoonweg onmogelijk was
om in de grond te graven ‘groeven’ ze maar op de grond, door borstweringen van
zandzakken of kisten met aarde op te werpen. Gelukkig kwam dat soort narigheid
hier aan het front een stuk minder voor. Hij wachtte tot de schrijver, die
tevens zijn oppasser was, binnen was gekomen en dicteerde snel zijn orders voor
de nacht. Hij kon het bijna uit zijn hoofd doen, ze verschilden niet veel van
de orders die hij eerder had uitgebracht. Hij wendde zich tot Schmidt en even
later liepen zij hun rondje door de loopgraafsectie aan hun toegewezen. Ze
liepen de smalle gegraven gang door die hier en daar scherpe knikken maakte en
in een zigzag patroon liep. Het stonk er naar dood en verderf, naar urine en
uitwerpselen en bedorven voedsel en overal de stank van lijken die, half of
geheel vergaan, tussen de linies in lagen in het niemandsland. Soms, tijdens
rustpauzes aan het front, werden ze geborgen door speciale troepen van beide
zijden. Een karwei dat niemand die mannen benijdde maar een karwei ook dat door
alle strijdende partijen werd gerespecteerd en de ‘lijkenhalers’ zoals deze
troepen genoemd werden, werd dan ook geen strobreed in de weg gelegd. Af en toe
stapte hij op de borstwering en begroette de soldaat die daar zijn post had. De
rest van de mannen genoot van de relatieve rust die momenteel heerste. Tegen de
avond zou de hele club weer op hun alarmposten staan, net als bij het aanbreken
van de dag trouwens. De kans op een vijandelijke aanval was het grootst op die
momenten. Hij bezocht de drie in de borstwering uitgehouwen bomvrije manschapsverblijven
en Schmidt en hij merkten dat de sfeer onder de mannen goed was. Er werd Skat
gespeeld, hier en daar las iemand een boek, de eerste schaak competities waren
al weer aan de gang en de onvermijdelijke ‘Heini’ met zijn mondharmonica
speelde weemoedige deuntjes over een of andere geliefde thuis, in het land waar
de bloemen bloeiden en de meisjes blond waren en blauwe ogen hadden en gewillig
waren. Schmidt had hier en daar het meters dikke prikkeldraad verkend en met
een grote grijns gezegd dat die ‘Engländer’ daar niet door zouden komen. “Tja”,
had hij gezegd, “als die vervluchte Engländer maar geen trucje verzinnen om wel
over dat draad te komen, Nonkel Paul, dan vind ik het goed.”
Af en toe gaf
Schmidt, goedbedoeld, een soldaat een tik op zijn helm om hem op iets te wijzen
of om iets aan zijn tenue te laten veranderen. Hij grijnsde: “Gelukkig maar dat
we nu allemaal een Stalhelm hebben Nonkel, anders zat je met je helm in de punt
van de Pickelhaube.” Schmidt grijnsde terug: “Blij toe, kap’tein, van die
verrekte punthelmen werd je gestoord. En wat een pracht doel voor
scherpschutters, warend ie krengen, man. Ik heb in Houthulst eens zes man
verloren op één dag door zo’n verrekte Belgische schutter. Nee, deze helmen
bevallen me beter en ze zijn niet zo verrekte zwaar ook.”
Ze maakten hun
ronde af en daarna begon eigenlijk de doodsaaie routine van de loopgraven
oorlog. Twee keer per dag alarm, bij zonsopgang en zonsondergang, elke vier uur
aflossing van de wachten, het hoogtepunt van de dag als er om zes uur ’s avonds
eten gebracht werd door de aangewezen ‘etenhalers’, ’ s machts zond hij
luisterposten uit die bijna in de loopgraven van de vijand zaten, hij schreef
zijn rapporten en was behoorlijk in zijn sas toen hij zijn voorstel om Nonkel
Paul tot ‘Offizier-Stellvertreter’ te benoemen in goede bewoordingen had
samengevat en met een loper naar het hoofdkwartier van het Bataljon had
gestuurd. Dat zou Schmidt vijftig mark in de maand meer kunnen opleveren. Een Feldwebel
verdiende nu rond de zestig mark en dat was, ook met de toeslagen die hij
kreeg, geen echte vetpot. Alles dus routine, ja en doodsaai, zolang het front
stil was. En dat was het Somme front, in elk geval hun gedeelte daarvan in deze
dagen in september ’16. Maar niet lang meer.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten