zaterdag 21 november 2015

14. Wakker. Wie ik ben?

Hoe lang ik in die droomstaat, nu ja, semi comateuze staat, gelegen heb, weet ik nu, tijden later, pas. Ik weet nu dat het maanden heeft geduurd, een half jaar misschien . De bomen waren alweer in herfsttooi en harde regens sloegen tegen de ramen en de ruiten van mijn kamer waar ik werd verpleegd, of werd ik er gevangen gehouden? De dagen die ik in het, wat was het, ziekenhuis, verpleegafdeling, gevangeniscel, bleef hebben me, blijkt achteraf, nauwelijks verouderd. Ik kreeg een baard, de "elven" zoals ik ze de vorige keer noemde, schoren me wel, maar ja, die hadden daar nauwelijks ervaring in, zijnde vrouwen. Maar, nadat ik een dag of wat geleden echt en helemaal was ontwaakt en me voor het eerst in al die maanden eens goed in de spiegel, en echt goed, kon bekijken, bleek het me nog te staan ook. Ook had ik een snor, natuurlijk, geen opzienbarend iets als bijvoorbeeld die van de Kaiser of van Hercule Poirot, of als Adolf H., maar wel een fraai groeisel op mijn bovenlip. Ik herkende mijn gezicht zelfs nog. Ik had er een rimpel bij, een kraaienpoot rond mijn ogen extra, maar verder: "pas mal". Ik zag er nog wel aardig uit, voor zover ik dat ooit had gedaan, dan. Er was wel een opvallend iets, trouwens. Aan de linkerkant van mijn hoofd, net boven mijn slaap, zat een lelijk litteken. Een stuk roze huid, bijna vijf centimeter lang, met nog net zichtbaar, de insteekpunten van hechtingen. Dat litteken kon ik me niet voor de geest halen, overigens. Bij mijn weten was ik behoorlijk ongeschonden geweest voordat ik.., eh, ja, voordat ik wat nog maar weer? Verrek, ik weet het niet eens meer. Ik weet trouwens niet eens meer veel van mijn leven, als ik eerlijk ben.
Nu ja, ik ben geboren, dat moet, ik heb dus in elke geval een moeder gehad die me gebaard heeft en ja, er moet ook een verwekker zijn geweest, maar verder? Ik ben een beetje wous met mijn gedachten. Ik ben, eh, verdomme, wie ben ik eigenlijk? Ja, die kop in de spiegel, ja dat weet ik, maar daar moet een naam aan vast zitten, toch? Een naam, een geschiedenis, een beroep of op zijn minst een opleiding of zo. Misschien een partner? Of een gezin? Of een vriend, misschien ben ik wel homoseksueel? Of heb ik een transgender operatie ondergaan? Ik raak wel een beetje in paniek, moet ik eerlijk zeggen. Niet omdat ik hetero-, homoseksueel of een transgender ben, maar omdat ik geen idee heb wie en wat ik ben. 
Er kwam een arts, of een andere engel, aan mijn bed. Ja, ook een vrouw. Ik had het idee dat ik zo'n beetje de enige man was in het gebouw. Ja, het was een gebouw, een groot gebouw, dat midden in de bossen en de heuvels lag. Maar waar? Zie je, de drank en drugs die ik in een vorig leven had genomen en zo, hadden hun sporen wel nagelaten, natuurlijk. Toch had ik het idee, dat ik een behoorlijke tijd op een goed spoor had gezeten en mijn verslavingen een tijdje achter me had gelaten, maar, als ik eerlijk ben, ik wist het allemaal niet zo meer. De arts sprak Frans met een wat apart accent, maar we begrepen elkaar. Ze onderzocht me. Ze luisterde naar mijn longen, betastte mijn buik en ledematen en deed neurologisch onderzoek. Aan het einde keek ze me aan en zei: 'C'est bien. U bent genezen.' Ik keek haar verbaasd aan. 'Dokter, u bent toch een arts, niet, ik kan lichamelijk wel helemaal oké zijn, maar ik heb geen idee wie ik ben en waar ik ben en wat ik moet voorstellen.'
Ja en toen ja, sielie, maar ik begon als een kind te janken. 
Ik had namelijk nog niet de flauwste notie van mijn bestaan. Ik had geen herinneringen meer, wist naam nog adres, nog afstamming. Ik leek wel een Kapar Hauser figuur. Ken je dat verhaal? Niet? Ik ga het uitleggen.
Op pinkstermaandag (26 mei 1828) dook een verwaarloosde zestienjarige jongen op in de straten van Neurenberg. Hij kwam terecht op een plein. Hij droeg eenvoudige kleding en kon bijna niet praten. Ook kon hij amper lopen en hij begreep weinig van wat men hem vroeg.  Eerst dacht men dat hij dronken was omdat hij steeds dezelfde zinnen herhaalde,  "ik wil zijn zoals mijn vader" en "ik wil een ruiter zijn, zoals mijn vader was."
Hij had, gek genoeg, een brief bij zich, geschreven door een arbeider onder wiens voogdij hij op 7 oktober 1812 geplaatst was. (Raar, want veel arbeiders konden toen nog niet lezen en schrijven, natuurlijk.)  In die brief stond dan wel dat men hem lezen, schrijven en godsdienst lessen moesten geven, maar dat hij zich niet aan de "buitenwereld" mocht laten zien. Hij had ook nog eens een geschreven bericht, een verzoek bij zich, gericht aan de kapitein van de cavalerie van Neurenberg om hem in dienst te nemen als soldaat. Er was nog een ander briefje, dat door de moeder van Kaspar geschreven zou zijn en dat briefje vermeldde zijn naam en geboortedatum (30 april 1812) en de verklaring dat Kaspars vader een overleden cavalerie-officier was.
Hij werd naar een politiepost gebracht, waar tot ieders verbazing bleek dat hij zijn naam kon schrijven: Kaspar Hauser. Buiten enkele delen van woorden, kon hij helemaal niet spreken. Hoewel leraren het wel probeerden leidde dat vaak tot tranen en zei Kaspar herhaaldelijk: 'weet niet'. Zijn vreemde voorkomen en gedrag pasten bij iemand die heel zijn leven in een kelder had doorgebracht, in een isolatie dus en die nog nooit zijn bewaker had gezien. Het enige dat hij aannam was water en brood. Hij scheen overigens te treuren om een houten paard dat zijn enige maatje was geweest en dat hij had moeten achterlaten.
=verder nog over Hauser? Alleen als jullie het willen!=

Geen opmerkingen:

Een reactie posten