12
Met een pleurisgang, ik haalde 85 kilometer per uur, daalde ik
de Haute Levee af naar Stavelot. Ik haalde auto's in en zwenkte er om heen, ik zag het landschap langs me heen scheuren, ik hoorde het harde zoemen van mijn bandjes op het asfalt, ik voelde snelheid en mijn steeds stijgende adrenaline spiegel. Ik kickte, voor het eerst in tijden, van iets dat ik zelf deed! Ik rook schroeiend rubber en ik wist dat het mijn bandjes
waren, gecombineerd met de geur van mijn bijna smeltende remblokjes. Nu had ik
de fiets wel eerst even een beurt laten geven bij mijn vaste fietsen man, natuurlijk,
dus ik maakte me niet al te veel zorgen over die remblokjes. Toch wel wat gestrest, nu ja, in een flow, kwam ik bij het kruispunt beneden aan. Ik volgde, na nog
even door het leuke oude centrum van de voormalige koningsstad gedwaald te
hebben, de weg langs het riviertje dat terug voerde naar de Amblève. Ik reed
langs dat water verder naar Remouchamps. Ik zou dan nog even de moordenaar van
de Ardennen pakken, zoals dat heet, die vreselijke La Redoute. Met een stijging
van 22% is ze net een beetje de Keutenberg, alleen is die Redoute stukken
langer. Na die klim heb ik dan alleen de Cote de Spimont nog en ben dan zo weer terug
in Banneux en bij de bus.
Zoals gewoonlijk is het druk op de (slechte) wegen in Wallonië. Belgen,
Walen en Vlamingen, kunnen namelijk niet autorijden. Dat heeft meerdere oorzaken, maar
een daarvan is wel dat ze les krijgen van pa, ma, broer, neef, nicht of welk
mens met een rijbewijs dan ook. Die moet dan wel een “L” op het voertuig
plakken, maar diegene is dan ook meteen de instructeur en niets bevoegd of zo. Dat is
ook te merken aan A: hun rijgedrag en B: aan het aantal jonge mensen die elk
weekend weer overleden zijn na een dramatisch ongeval op de Belgische wegen.
En: als je me niet geloofd, lees op maandagen maar eens de Belse kranten of het
Belgische TXT nieuws. Je zult er van “verschieten” zoals ze dat noemen.
Maar, ik kom, zonder al te veel problemen inderdaad aan de
voet van de Redoute, via een straatje dat begint achter een onnozel rijtje huizen en
schakel meteen op alles wat klein is voor en wat groot is achter. Ik zit aardig in
mijn cadans en ook in mijn vel. Ik geloof dat ik nu wel helemaal clean ben,
maar kun je dat zijn als ex, nu ja, bestaat ex, “junk?” Want, dat besef ik nu
heel goed, ik ben gewoonweg een junk geweest. Oh ja, een High Roller, dat wel.
Een junk met poen en vrienden en dikke auto’s en zo, maar, een junk never the
less. Maar, ik ben er van overtuigd dat ik nog een heel leven voor me heb. Sterker,
ik maak al weer plannen om een praktijk te beginnen en ja, zo zeggen mijn
coaches, dat is de eerste stap naar de toekomst. Niet die praktijk zelf, maar het
plannen van een toekomst, het denken aan een toekomst. Op een rare manier voel
ik me senang. Ik leef momenteel in vrede met me zelf, met mijn verleden, ook
met Jo Janneke heb ik afgerekend en ja, ik zie het weer zitten.
Ook dit weekeinde heeft me veel gebracht. Ik kan weer
fietsen, ik durf het aan om weer eens alleen op stap te gaan, zonder angst dat
het weer uit de klauwen gaat lopen, dat ik weer zit te zuipen of weer eens een
dealer opbel.
Dus ja, denkend aan het verleden, denk ik aan de pijn die ik
aan mezelf heb toegedaan, maar vooral aan de pijn en het leed dat ik anderen
heb berokkend. Ik voel me, nu, een giga klootzak. Maar, zoals die ouwe van me
altijd zei: ‘Achteraf is een koe in zijn kont kijken’, wat een waarheid is als
die koe, maar ook een dooddoener van het zuiverste water.
De Redoute is een killer, echt een killer. Maar, met veel
moeite kom ik boven op die helling, waar op het wegdek nog steeds honderd maal
de naam PHIL is gekalkt, aanmoediging voor een van de grootste coureurs van
onze jaren, Philippe Gilbert. De jongen woont overigens aan het begin van de
klim en schijnt die, zegt men, voor het ontbijt, al vier keer te doen. Nou,
voor mij is de vierde maal in mijn leven en dat vind ik wel even goed. Wat een
effing klim is dat, met het venijn helemaal in de staart.
Ik haal het en stap af, tast in een van de achterzakken en
haal een sigaretje uit mijn blikje met poen en sigaretten en “heb- altijd-bij-je”
dingen. Tegelijk merk ik dat ik mijn mobieltje heb laten liggen in de kamer.
Nou ja, niets aan de hand, ik ben bijna weer terug. Ik steek mijn Caballero aan, inhaleer diep en
kijk naar het dal van waar ik kom en ben trots op mezelf. Van de andere kant,
van de kant van Sprimont, komt een jonge mevrouw op een opoe fiets aangereden,
met een kratje op een drager op het voorwiel. Nu ben ik opeens een beetje frusta.
Opeens, vanuit het niets, begint het aardedonker te worden. Fuck it, er was totaal geen voorspeld toch? Ik stap op en begin aan de afzink naar Sprimont. Die afzink is
(zoals alle wegen hier), slecht, het wegdek ik typisch Waals, dus vol kuilen en gaten. Ik ben net een honderd
meter op weg en heb ondertussen aardig de vaart erin als er, bijna vanuit het niets, een enorme
hagelbui met windstoten en onweer op me neerplenst. Binnen een minuut ben ik zeiknat en totaal
verkleumd. Het wegdek is nu haast een ijsbaan geworden en ik …
Geen opmerkingen:
Een reactie posten