2
Als
Babette (of heette ze nu Antoinette), of een van de andere toenmalige
secretaressen, er zijn er zoveel geweest dat ik hun namen niet allemaal meer
heb onthouden, me dan mijn eerste (echte koffie) koffie bracht, lengde die ik dan
ook weer wat aan, met dat wat ik voorhanden had dan. Vaak was dat, in ieder
geval in het begin van mijn beste en duurbetaalde uren en jaren, een shot
Johnnie Walker Black. Rond een uur of negen was ik dan ook helemaal het
mannetje, weet je niet. Helemaal relaxed, helemaal op het spoor van de dossiers
die ik moest afhandelen en van de zaken van de cliënten waar ik dan voor naar
de Parnassusweg, in Zuid, moest. Of naar welke achterlijke provinciale boeren-rechtbank in welke
provincie dan ook.
Een
van de meiden, vaak was dat die Babette, ik geloof echt dat ze zo heette, (mijn
ouders hebben ooit een kat gehad die ze zo hadden genoemd, ja, af en toe komt
mijn geheugen weer wat terug), of een van de andere meiden die toen nog voor me
werkten, ik had er altijd een stuk of twee tegelijk in dienst, bracht
dan mijn zogenaamde “eerste echte” koffie. De secrtstearse, eh, de secretaresses, zo
heten ze, natuurlijk, begonnen pas om negen uur, kantoortijd. (Ja, ik maak soms schrijffouten, de grijze massa moet heel erg sterk herstellen.)
Nu
ja, ik geef het toe, ik lieg, ik heb van die achterlijke artsen gehoord dat ik
eerlijk zou moeten zijn. In en met alles, zeggen ze, steeds. Niet dat ze weten
dat ik dit opschrijf, hoor, ik heb ze nu al dagen, weken misschien niet gezien
en dat doet me wel deugd, die achterlijke gasten! Nee, mijn werkdag dag begon al om acht uur, ok, eerlijk nu,
om zeven uur. Ik was als eerste op kantoor, vooral toen ik nog een kantoor had.
Ik maakte een bak oploskoffie, van die poederzooi van Nescafe, zeg maar) en deed daar dan wat door, ja, hallo, ik moest wel, de
nacht ervoor was bijna altijd wild geëindigd over het algemeen en ik had de
geur en de smaak van die vrouw van die nacht nog aan mijn vingers hangen, voelde haar nog in mijn mond en rook haar in mijn
neus. (Net als die effing niesbuien die van dat witte spul kwamen, Godver! Af
en toe likte ik zo’n mokkel en dan dacht ik dat ze ongesteld was, zo een smaak
van bloed kreeg ik in mijn muil, maar nee, het was het bloed uit mijn neus die
ik dan op likte, van die fokking lijnen die ik snoof. Die vrouwen hadden daar overigens
niet al te veel last van hoor, van mijn verdoofde tong en iets later van mijn
verdoofde plasser, die als een Eiffeltoren omhoog bleef staan, want die bezorgden
hun minuten van geluk, iets dat wat ze bij hun burger mannetjes vaak helemaal
te kort kwamen. Die gingen der op en der af en deden dan snel klaarkomen en
rolden terug, vertelden sommige van die grieten aan me, nadat ze een vierde of
vijfde keer kwamen en het uit hadden gekreund en mij “liefste en schat en beste
minnaar ooit” hadden genoemd!
In het begin van mijn
praktijk, nu ja, in het begin van de jaren dat ik echt dronk, maar heel eerlijk
gezegd, ondanks de indoctrinatie van die Berkelhagens, nee Berkehagen heet ‘ie
toch, en de Brachels van deze wereld, heb ik nooit echt heel veel gedronken,
mind you. Brachels? Nu ja, het is mijn “troetelnaampje” voor hem.Ik ben zijn eigenlijke naam kwijt. Hij is, net
als die Berkenbos, een geweldige klootzak, hoor. Hij schijnt ooit eens een
glanzende carrière bij de marine in het vooruitzicht gehad te hebben, maar dat
schijnt ‘ie verkloot te hebben ooit, toen die ergens in een oorlogsgebied moest
optreden en helemaal verstarde omdat hij bloed en afgeschoten ledematen zag of
zo. Ja, nu ja, zo ken ik de lul ook wel. Hij is toen maar psychologie gaan
doen, geloof ik en kwam dus uiteindelijk hier terecht. Die plek, de inrichting
waar ik nu al weer een jaar of zo zit! Nu ja, alles is naar de kloten nu, ik
geef het toe. En ja, zover ben ik ook wel weer opgedroogd om toe te geven dat
het mijn schuld is. Nu ja, eigenlijk dan ook weer niet helemaal, want het kwam eigenlijk allemaal door
het feest waar we toen waren.
Ik wilde wel eens naar huis. Ik was moe, ik had die dag een heleboel cliënten gehad en zaken gedaan en
ik wilde eigenlijk alleen maar een lang weekend slapen. Dus zocht ik Jo Janneke
op in het feestgedruis, maar kon haar in de drukte niet vinden. Ik zette mijn glas ergens neer en ging
op zoek naar mijn vriendin, waar ik al een jaar of twee samen mee was. Ik
dwaalde wat over de etage van het grachtenpand aan de Amstel en zag diep in het
achterhuis een deur op een kier staan. Ik hoorde een hijgende en extatische
ademhaling, die ik maar al te goed herkende. Ik opende voorzichtig de deur op een kier en keek in het in verrukking en van een naderend orgasme verkerende gezicht van
mijn vriendin, die half op een bureau lag, haar benen gespreid, het slipje om
een enkel en haar voeten steunend op de schouders van een man die tussen haar
benen hurkte en die doende was met zijn mond en vingers in haar kruis. Opeens
had zij vermoedelijk de deur of een kreet van ontzetting van mij gehoord en ze
had me recht in mijn smoel gekeken. Ik had de deur met een knal achter me
dichtgeslagen en was woedend en bevend van ellende weggerend. Die nacht had ik me
in slaap gehuild. Ja, toen waren mijn gevoelens nog niet afgevlakt door drank
en witte meuk. Zij was nooit meer thuisgekomen. De volgende dag, toen ik rond vijf uur
’s middags uit mijn kantoor naar huis was gekomen, waren haar spulletjes en
haar kleding weg. Er had een kort briefje op de salontafel gelegen: ‘Sorry, ik
had het niet moeten doen, maar ik heb er geen spijt van. Tussen ons zou het
nooit iets meer worden. Dag,
Jo.’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten