Ik zou een paar dagen met een stel kennissen gaan fietsen. Nu ja, een paar dagen, het was een dikke week als ik het eerlijk moet zeggen. Fietsen ja, maar dan wel op van die lichte aluminium of carbon gestroomlijnde apparaten met van die kromme sturen en fraai uitgevonden schakelmechanismen in de remgrepen verwerkt. Het festijn zou ergens in de Ardennen gaan plaatsvinden, niet te ver van de grens met ons land. Onze thuishaven zou in Banneux zijn, een klooster op een heuvel, niet te ver van Pepinster. Een fraai gebied, zeiden ze tegen me, het zijn geen al te steile of al te hoge bergen, dat kan jij ook aan. Ik betwijfelde dat laatste een beetje, overigens. Ik kende de Ardennen vrij goed van eerdere fietstochten. Maar ik was toen al, en met mijn huidige conditie al helemaal niet, een ras klimmer. Sterker, ras en klimmer en dat in die combinatie kwamen helemaal niet in mijn woordenboek voor.
Ik weigerde aanvankelijk dan ook met groot plezier en met het nodige chagrijn dat ik na mijn diepe val in die inktzwarte duisternis over me heb gekregen, dan ook hartelijk voor dat gedoe. Uiteindelijk had ik dan de keuze: of je blijft achter in de kliniek of je gaat mee. Achterblijven in de kliniek leek me wel wat. Ik had dan weer eens mooi de tijd om er eens uit te breken, letterlijk en figuurlijk dan en dat kleine kroegje op de hoek van de twee grachten op te zoeken. Ik zou in dat geval mijn alcohol inname beperken tot vijf, hooguit zes biertjes en dan in mijn eentje via de zelfde sluiproute weer terug gaan naar de kliniek en naar mijn kleine kamertje. Nu ja, in mijn eentje? Ik zou een metgezellin hebben, dat wel. De kastelein zou ze me bezorgen, tegen niet al te veel geld. Een met fraaie rondingen en een vurig karakter. Eentje die me helemaal ten dienst zou staan, stil zou zijn, geen verwijten zou maken en waar ik het zo vaak en zo veel mee kon doen als ik dat wilde. Nu ja, tot de volgende ochtend dan, dan moest ze verdwenen zijn voordat de verplegers hun ronde zouden doen. Dan mocht ik niet met haar betrapt worden of ik zou weer de isoleer in worden geflikkerd, iets wat me al eens was overkomen en waar ik totaal geen behoefte meer aan had om het nog eens te beleven. Maar ik zou de lege Cognac fles wel kunnen dumpen in de grote afvalcontainer die schuin onder het raampje van mijn cel stond. Cel? Zei ik cel? Nee, natuurlijk is het geen cel, nee, zo zou ik dat niet mogen zien, had dokter van der Berkehagen me verteld, de lul. Nee, nee, mijnheer Saul, het is geen cel, natuurlijk niet, had hij wat kakelend gelachen. Zijn adem rook naar Wilhelmina pepermunt van de firma Fortuyn uit Dokkum. Die glutenvrije en voor diabetici geschikte witte snoepjes die ik zo goed kende van ooit. In die "ooit" tijd had men mij verteld dat er een vorm van spiritus, dus alcohol, in die snoepjes zat en dat ik er een high van zou krijgen als ik er maar genoeg van at.
Ik vrat indertijd dus een kilo van die zooi per dag. En, als de plaatselijke Keten geen Wilhelmina pepermunt meer had, vrat ik Mentos of King of zo, tot ik me verbeelde dat ik een kick kreeg, nu ja, je doet als verslaafde alles om aan je gerief te komen. Dat heb ik wel geleerd van die verslavingsarts die me vier keer in de week bij zich roept en me verteld dat ik eigenlijk niet ziek ben maar een man met een zwakte en die wordt geplaagd door zijn verleden en door zijn abusievelijk gedrag daar aan placht te ontkomen!
Maar ik vrat die witte meuk natuurlijk ook omdat ik me tegen mijn klanten geen "ring van zelfvertrouwen" wilde aanmeten, zo een kegel, je kent het wel. Nu ja, de klantenkring die ik toen had, had die ring ook wel vaak, maar dan later op de dag dan ik ze had. Mijn klanten kregen die adem na een uitgebreide lunch met zakenmensen. Een vloeibare lunch die duurde van twaalf tot vier uur, vaak. Daarna ging men nog even, om de gedane zaken te beklinken, naar een gelegenheid die men in Mokum een hoerenkast noemt om, dan, na gedane arbeid, tegen zessen mijn kantoor te betreden om een en ander op papier te zetten en zo legaal te maken. Mijn drankadem begon overigens al om een uur of negen. Als Babette, een van de toenmalige secretaressen, er zijn er zoveel geweest, dat ik ze niet meer heb onthouden, me mijn eerste koffie bracht. Ik lengde die dan wat aan,
Geen opmerkingen:
Een reactie posten