maandag 29 mei 2017

Verdwenen 4



 (En ja, het is alweer even terug dat ik dit vierde deel deelde, pun intended. Maar hierbij dan!)
Hij had van tevoren geïnformeerd of er een stalling was voor zijn fiets en de medewerkster van het hotel die hem te woord had gestaan had hem gezegd dat het hotel berekend was op de fietstoerist en een afgesloten fietsstalling had. Bij aankomst in het hotel werd hij van harte welkom geheten door een alleraardigste receptioniste, die volgens haar naamplaatje ‘Rosa’ heette. Ze was een brunette en had een mooi figuurtje. Ze leek Phil een jaar of vijfentwintig en, hoewel hij het zich nauwelijks bewust was, zag hij toch in de gauwigheid dat zij geen ring droeg, nog aan haar linker als aan haar rechter hand. Idioot, schold hij zichzelf uit, wat denk je nou man, dat zo’n grietje op jouw zit te wachten? Gek. Hij had een tweepersoonskamer geboekt, oudergewoonte, want ze sliepen altijd met z’n tweeën op een kamer als ze naar het buitenland gingen om te fietsen, of ‘feetsen’, zoals Albert hun uitstapjes altijd noemde. Phil grijnsde toen hij nog aan van de voorvallen dacht die hen was overkomen in de buurt van Brugge, toen ze de toerversie van ‘Vlaanderens mooiste’ zouden rijden. Albert was de vrijdagavond op stap gegaan en had een “moordwijf, man”, ontmoet, “niet al te jong meer, maar God, wat kende die het klappen van de zweep. Normaal laat ik de dames alle kanten van het bed zien, maar die…, man, ik heb geen pik meer over. Zij liet me alle hoeken van de slaapkamer zien. Jees, ik ben kapot, jongens. Een gescheiden wijffie, nou dan weet je het wel, hè? Samme, ik ben gebroken, en nou morgen ook nog al die fucking kasseien en al die pleuris klimmen!” De avond erop, na een natte en winderige Ronde, ze waren huiverig en nat en koud en haast onderkoeld aangekomen, was Albert nog maar eens de ‘buurt gaan verkennen’ zoals hij zijn scharreltocht naar de liefde noemde. De andere drie hadden zich warm gedoucht en zaten met een Leffe binnen in de lobby van hun hotel. Philippe vertelde een anekdote die hij van Marc had gehoord over de Ronde, waarin hij Karel van Wijnendaele  had geciteerd, die schreef over ‘tjoolders, die langs de weg zwierven, bekleumd en stuk’ en hij had het Vlaams, dat zijn vader had gesproken volgens zijn ma, mooier dan ooit gevonden. Ze hadden gelachen en nog maar eens een paar Leffe ’s besteld, toen opeens Albert binnen was gekomen, met een bebloed gezicht en een dicht oog. Bezorgd hadden ze gevraagd of hij gevallen was maar hij had zijn hoofd geschud en met een dikke tong vanuit een bebloede mond gezegd dat hij uitgegleden was in een tramspoor in Brugge. Ze hadden de EHBO koffer van het hotel gevraagd en gebruikt om hem wat op te lappen en nadat Albert zich gedoucht had, was hij aan komen schuiven aan de bar. Phil had opgemerkt dat hij het raar vond dat Albert het slachtoffer was geworden van een tramspoor, want volgens hem reden er sinds de jaren zestig helemaal geen trams meer in die stad. Albert grinnikte wat scheef. De gescheiden vrouw was namelijk helemaal géén gescheiden vrouw  geweest. Zij had hem net lekker, nou ja, zeg maar, met haar mond liggen te verwennen, toen opeens de deur was opengegooid en er een wel hele grote gozer in de opening had gestaan. De vrouw had zijn piemel meteen met rust gelaten. Niet dat er nog veel van zijn ‘Janneman’ zoals hij zijn lid altijd noemde (hij behoorde tot het onuitstaanbaar soort kerels die hun geslachtsdeel een naam geven) over was gebleven overigens, maar de vrouw had uitgeroepen: “Awel Jean, ik dacht dat U nog drie weken op zee zou zitten!” Nou ja, hij was er waarschijnlijk nog genadig afgekomen, want Jean had een paar kolenschoppen aan zijn lijf die hij dan ook heel doelmatig had gebruikt. Albert had, zijn kleding mee grissend, nog net via het balkon kunnen vluchten omdat zijn ‘vriendin’ haar man een beetje in bedwang had kunnen houden. Pas op de hoek van de straat had hij zich aan kunnen kleden, onder belangstelling van een groepje jonge meiden dat giechelend langs was getrokken.

Die zaterdagochtend ontbeet hij al vroeg en maakte zich gereed om te vertrekken. Hij had de kaart nog eens bestudeerd en had zijn briefje met steekwoorden in een plastic boterhamzakje in de zak van zijn koerstrui gedaan, samen met wat repen voor onderweg. De vorige avond was hij Pepinster nog maar eens gaan bekijken. Hij kende het stadje al van een vorig bezoek en het plaatsje oogde wat ingeslapen. Hij had wat gegeten in een restaurantje aan de rivier, had nog wat staan kijken naar de Vesdre en was vroeg gaan slapen. Hij had nog wat gelezen in de nieuwste Lee Child, boeken die hij altijd in het Engels las. Weer had hij even gewild dat hij was als die Jack Reacher, een echte koelbloedige en niet van zijn stuk te brengen eenzaat. Oudergewoonte had hij zijn kleding al klaargelegd en nu, na het ontbijt, was hij in een paar tellen gereed.
De tocht zou hem over de cote’s en colletjes onder Luik voeren en hij had natuurlijk de Wanne en de Redoute ook in het schema opgenomen. De volgende dag wilde hij dan de andere kant opgaan, richting Duitse grens, naar zijn geliefde gebied van wat vroeger het staatje ‘Moresnet’ was.
Rond negen uur vertrok hij na zijn fiets uit de stalling gehaald te hebben. Het meisje Rosa stond op het terras van het hotel en redderde daar wat met de tafeltjes en de kleedjes. Hij groette haar vriendelijk en zij wenste hem een “Bonne Tour, monsieur! En, U hebt heerlijk weer, hoor. Hoe laat bent U terug denkt U?” Hij mompelde iets van rond drie uur, ongeveer en zij zei dat ze dan net klaar was met haar werk en hem nog wel even zou zien, dan. Ze keek wat schalks en ietwat verlegen stapte hij op. Voor hij wegreed zei hij nog dat hij dan wel wat met haar wilde drinken. “Oh, graag, monsieur, ik kijk er naar uit, à bientôt.”  
Hij reed het dorpje uit, schakelde naar zijn binnenblad en begon aan de prachtige tocht. Hij stak de Vesdre over en volgde de bordjes Theux, een leuk plaatsje ongeveer vijf kilometer verderop. Het terrein was meteen al geaccidenteerd en hij moest al gauw een tandje terug. Hij was ook geen ras klimmer, daarvoor was hij met zijn 1 meter 85 en zijn 80 kilo veel te lomp, zoals de studenten dat altijd zo teerhartig tegen hem zijden, maar hij had geleerd om te klimmen. Een van zijn vrienden uit dat andere clubje had hem meegenomen op een trainingstocht naar de Limburgse heuvels en hem laten trainen op een hartslag meter. Fris, zoal het maatje heette, had gezegd dat het belangrijk was om op ongeveer 95% van zijn maximale hartslag te rijden. Het had een tijd geduurd voor dat hij dat had geleerd, maar nu hij die discipline eenmaal had, reed hij zich niet gauw meer over zijn toeren. Vanaf Theux volgde hij de route naar Spa, genoot van het prachtige haast koninklijke plaatsje en begon aan de Haute Levée, een slepende klim door een prachtig bos- en heidegebied. De afzink naar Stavelot, langs het race circuit van Francorchamps, was heerlijk. Met een vaart van tegen de negentig per uur gooide hij zich naar beneden. Was zijn gewicht in het nadeel bij het klimmen, bij het dalen had hij nogal wat voordeel ervan. Hij passeerde toeristen die hem eerder hadden ingehaald op de klim en hij genoot weer van het bijna orgastische gevoel dat een goed gereden afdaling hem kon geven. In Stavelot moest hij sterk remmen en hij rook weer de geur van verschroeid rubber dat van zijn remblokjes opsteeg. Hij grijnsde als een schooljongen bij de gedachte dat Peter op hem gescholden zou hebben ‘dat ‘ie een onverantwoordelijke klootzak was, om zo af te dalen en zelfs auto’s in te halen.’ Hij zou dan waarschijnlijk geantwoord hebben dat ‘ie natuurlijk niet gestudeerd had, dus niet zo slim was om de risico’s goed in te kunnen schatten. Ze zouden gelachen hebben en Ger zou aanleiding gevonden hebben om ‘even een bakkie te doen jongens!’ Voor Ger was het altijd wel tijd om even een bakkie te doen en het was dat ze met hun drieën hem altijd konden overtuigen om eerst maar eens een flink stuk te fietsen voor zij een stop wilden maken. “Ja, ja”’ zou Ger antwoorden, “jullie calvinisten, eerst zaken en dan het meisje, hè?” Ger kwam uit het zuiden en was katholiek ‘hoewel niet meer praktiserend hoor’, vertelde hij er dan altijd bij. Phil reed door het altijd leuke en toeristische Stavelot, waar het leek of het elke dag markt was. Kunstmarkt dan wel te verstaan want er waren overal kraampjes met schilderijtjes en beeldjes en boeken en dat soort zaken meer te koop. Natuurlijk miste hij de weg. Dat is logisch als je in België gaat fietsen want bewegwijzering is er nauwelijks en dat wat er is, staat pas na de afslag. Hij reed een stuk rond in het dorpje voor hij weer bij het riviertje uitkwam en zo zette koers richting Trois-Ponts. Het bleek hem weer hoe levensgevaarlijk het was om aan het verkeer deel te nemen bij de zuiderburen, want hij werd ingehaald door motoren en auto’s die hem vaak half van de weg sneden of inhaalden over een doorgetrokken streep, waarop de tegenligger de meest halsbrekende toeren moest uithalen om hun voertuig op de weg te houden. Vanaf Trois-Ponts volgde hij de Salm richting Grand Halleux en de verkeersdrukte verminderde aardig. Hordes fietstoeristen kwamen hem tegemoet. Waarschijnlijk was er een prestatierit uitgezet in deze contreien en hij was allang blij dat hij de andere kant op reed. Hij was niet gek op groepen mensen. Hij voelde zich daar niet helemaal thuis en was veel meer een eenzaat. Hij genoot van de rit langs de Salm. Het riviertje meanderde en kabbelde kalm naar het noorden, hier en daar een stroomversnelling te weeg brengend. Hij zag hoe schoon de bermen hier waren en dacht even na over het vuil en de troep die hij in eigen land vaak langs de wegkanten zag liggen.  Wat een verschil met hier, dacht hij. En dat was dan wel gek, want Belgen stonden nu eenmaal niet te boek als de meest betrouwbare mensen. Maar trots op hun land en de natuur waren ze schijnbaar wel.
--

Geen opmerkingen:

Een reactie posten