(En ja, het is alweer even terug dat ik dit vierde deel deelde, pun intended. Maar hierbij dan!)
Hij had van
tevoren geïnformeerd of er een stalling was voor zijn fiets en de medewerkster
van het hotel die hem te woord had gestaan had hem gezegd dat het hotel
berekend was op de fietstoerist en een afgesloten fietsstalling had. Bij
aankomst in het hotel werd hij van harte welkom geheten door een alleraardigste
receptioniste, die volgens haar naamplaatje ‘Rosa’ heette. Ze was een brunette
en had een mooi figuurtje. Ze leek Phil een jaar of vijfentwintig en, hoewel
hij het zich nauwelijks bewust was, zag hij toch in de gauwigheid dat zij geen
ring droeg, nog aan haar linker als aan haar rechter hand. Idioot, schold hij
zichzelf uit, wat denk je nou man, dat zo’n grietje op jouw zit te wachten?
Gek. Hij had een tweepersoonskamer geboekt, oudergewoonte, want ze sliepen
altijd met z’n tweeën op een kamer als ze naar het buitenland gingen om te
fietsen, of ‘feetsen’, zoals Albert hun uitstapjes altijd noemde. Phil grijnsde
toen hij nog aan van de voorvallen dacht die hen was overkomen in de buurt van
Brugge, toen ze de toerversie van ‘Vlaanderens mooiste’ zouden rijden. Albert
was de vrijdagavond op stap gegaan en had een “moordwijf, man”, ontmoet, “niet
al te jong meer, maar God, wat kende die het klappen van de zweep. Normaal laat
ik de dames alle kanten van het bed zien, maar die…, man, ik heb geen pik meer
over. Zij liet me alle hoeken van de slaapkamer zien. Jees, ik ben kapot,
jongens. Een gescheiden wijffie, nou dan weet je het wel, hè? Samme, ik ben
gebroken, en nou morgen ook nog al die fucking kasseien en al die pleuris
klimmen!” De avond erop, na een natte en winderige Ronde, ze waren huiverig en
nat en koud en haast onderkoeld aangekomen, was Albert nog maar eens de ‘buurt
gaan verkennen’ zoals hij zijn scharreltocht naar de liefde noemde. De andere
drie hadden zich warm gedoucht en zaten met een Leffe binnen in de lobby van
hun hotel. Philippe vertelde een anekdote die hij van Marc had gehoord over de
Ronde, waarin hij Karel van Wijnendaele
had geciteerd, die schreef over ‘tjoolders, die langs de weg zwierven,
bekleumd en stuk’ en hij had het Vlaams, dat zijn vader had gesproken volgens
zijn ma, mooier dan ooit gevonden. Ze hadden gelachen en nog maar eens een paar
Leffe ’s besteld, toen opeens Albert binnen was gekomen, met een bebloed
gezicht en een dicht oog. Bezorgd hadden ze gevraagd of hij gevallen was maar
hij had zijn hoofd geschud en met een dikke tong vanuit een bebloede mond
gezegd dat hij uitgegleden was in een tramspoor in Brugge. Ze hadden de EHBO
koffer van het hotel gevraagd en gebruikt om hem wat op te lappen en nadat
Albert zich gedoucht had, was hij aan komen schuiven aan de bar. Phil had
opgemerkt dat hij het raar vond dat Albert het slachtoffer was geworden van een
tramspoor, want volgens hem reden er sinds de jaren zestig helemaal geen trams
meer in die stad. Albert grinnikte wat scheef. De gescheiden vrouw was namelijk
helemaal géén gescheiden vrouw geweest.
Zij had hem net lekker, nou ja, zeg maar, met haar mond liggen te verwennen,
toen opeens de deur was opengegooid en er een wel hele grote gozer in de
opening had gestaan. De vrouw had zijn piemel meteen met rust gelaten. Niet dat
er nog veel van zijn ‘Janneman’ zoals hij zijn lid altijd noemde (hij behoorde
tot het onuitstaanbaar soort kerels die hun geslachtsdeel een naam geven) over
was gebleven overigens, maar de vrouw had uitgeroepen: “Awel Jean, ik dacht dat
U nog drie weken op zee zou zitten!” Nou ja, hij was er waarschijnlijk nog
genadig afgekomen, want Jean had een paar kolenschoppen aan zijn lijf die hij
dan ook heel doelmatig had gebruikt. Albert had, zijn kleding mee grissend, nog
net via het balkon kunnen vluchten omdat zijn ‘vriendin’ haar man een beetje in
bedwang had kunnen houden. Pas op de hoek van de straat had hij zich aan kunnen
kleden, onder belangstelling van een groepje jonge meiden dat giechelend langs
was getrokken.
Die
zaterdagochtend ontbeet hij al vroeg en maakte zich gereed om te vertrekken.
Hij had de kaart nog eens bestudeerd en had zijn briefje met steekwoorden in
een plastic boterhamzakje in de zak van zijn koerstrui gedaan, samen met wat
repen voor onderweg. De vorige avond was hij Pepinster nog maar eens gaan
bekijken. Hij kende het stadje al van een vorig bezoek en het plaatsje oogde
wat ingeslapen. Hij had wat gegeten in een restaurantje aan de rivier, had nog
wat staan kijken naar de Vesdre en was vroeg gaan slapen. Hij had nog wat
gelezen in de nieuwste Lee Child, boeken die hij altijd in het Engels las. Weer
had hij even gewild dat hij was als die Jack Reacher, een echte koelbloedige en
niet van zijn stuk te brengen eenzaat. Oudergewoonte had hij zijn kleding al
klaargelegd en nu, na het ontbijt, was hij in een paar tellen gereed.
De tocht zou hem
over de cote’s en colletjes onder Luik voeren en hij had natuurlijk de Wanne en
de Redoute ook in het schema opgenomen. De volgende dag wilde hij dan de andere
kant opgaan, richting Duitse grens, naar zijn geliefde gebied van wat vroeger
het staatje ‘Moresnet’ was.
Rond negen uur
vertrok hij na zijn fiets uit de stalling gehaald te hebben. Het meisje Rosa
stond op het terras van het hotel en redderde daar wat met de tafeltjes en de
kleedjes. Hij groette haar vriendelijk en zij wenste hem een “Bonne Tour,
monsieur! En, U hebt heerlijk weer, hoor. Hoe laat bent U terug denkt U?” Hij
mompelde iets van rond drie uur, ongeveer en zij zei dat ze dan net klaar was
met haar werk en hem nog wel even zou zien, dan. Ze keek wat schalks en ietwat verlegen
stapte hij op. Voor hij wegreed zei hij nog dat hij dan wel wat met haar wilde
drinken. “Oh, graag, monsieur, ik kijk er naar uit, à bientôt.”
Hij reed het
dorpje uit, schakelde naar zijn binnenblad en begon aan de prachtige tocht. Hij
stak de Vesdre over en volgde de bordjes Theux, een leuk plaatsje ongeveer vijf
kilometer verderop. Het terrein was meteen al geaccidenteerd en hij moest al
gauw een tandje terug. Hij was ook geen ras klimmer, daarvoor was hij met zijn
1 meter 85 en zijn 80 kilo veel te lomp, zoals de studenten dat altijd zo
teerhartig tegen hem zijden, maar hij had geleerd om te klimmen. Een van zijn
vrienden uit dat andere clubje had hem meegenomen op een trainingstocht naar de
Limburgse heuvels en hem laten trainen op een hartslag meter. Fris, zoal het
maatje heette, had gezegd dat het belangrijk was om op ongeveer 95% van zijn
maximale hartslag te rijden. Het had een tijd geduurd voor dat hij dat had
geleerd, maar nu hij die discipline eenmaal had, reed hij zich niet gauw meer over
zijn toeren. Vanaf Theux volgde hij de route naar Spa, genoot van het prachtige
haast koninklijke plaatsje en begon aan de Haute Levée, een slepende klim door
een prachtig bos- en heidegebied. De afzink naar Stavelot, langs het race
circuit van Francorchamps, was heerlijk. Met een vaart van tegen de negentig
per uur gooide hij zich naar beneden. Was zijn gewicht in het nadeel bij het
klimmen, bij het dalen had hij nogal wat voordeel ervan. Hij passeerde
toeristen die hem eerder hadden ingehaald op de klim en hij genoot weer van het
bijna orgastische gevoel dat een goed gereden afdaling hem kon geven. In
Stavelot moest hij sterk remmen en hij rook weer de geur van verschroeid rubber
dat van zijn remblokjes opsteeg. Hij grijnsde als een schooljongen bij de
gedachte dat Peter op hem gescholden zou hebben ‘dat ‘ie een
onverantwoordelijke klootzak was, om zo af te dalen en zelfs auto’s in te
halen.’ Hij zou dan waarschijnlijk geantwoord hebben dat ‘ie natuurlijk niet
gestudeerd had, dus niet zo slim was om de risico’s goed in te kunnen schatten.
Ze zouden gelachen hebben en Ger zou aanleiding gevonden hebben om ‘even een
bakkie te doen jongens!’ Voor Ger was het altijd wel tijd om even een bakkie te
doen en het was dat ze met hun drieën hem altijd konden overtuigen om eerst
maar eens een flink stuk te fietsen voor zij een stop wilden maken. “Ja, ja”’
zou Ger antwoorden, “jullie calvinisten, eerst zaken en dan het meisje, hè?”
Ger kwam uit het zuiden en was katholiek ‘hoewel niet meer praktiserend hoor’,
vertelde hij er dan altijd bij. Phil reed door het altijd leuke en toeristische
Stavelot, waar het leek of het elke dag markt was. Kunstmarkt dan wel te
verstaan want er waren overal kraampjes met schilderijtjes en beeldjes en
boeken en dat soort zaken meer te koop. Natuurlijk miste hij de weg. Dat is
logisch als je in België gaat fietsen want bewegwijzering is er nauwelijks en
dat wat er is, staat pas na de afslag. Hij reed een stuk rond in het dorpje
voor hij weer bij het riviertje uitkwam en zo zette koers richting Trois-Ponts.
Het bleek hem weer hoe levensgevaarlijk het was om aan het verkeer deel te
nemen bij de zuiderburen, want hij werd ingehaald door motoren en auto’s die
hem vaak half van de weg sneden of inhaalden over een doorgetrokken streep,
waarop de tegenligger de meest halsbrekende toeren moest uithalen om hun
voertuig op de weg te houden. Vanaf Trois-Ponts volgde hij de Salm richting
Grand Halleux en de verkeersdrukte verminderde aardig. Hordes fietstoeristen
kwamen hem tegemoet. Waarschijnlijk was er een prestatierit uitgezet in deze
contreien en hij was allang blij dat hij de andere kant op reed. Hij was niet
gek op groepen mensen. Hij voelde zich daar niet helemaal thuis en was veel
meer een eenzaat. Hij genoot van de rit langs de Salm. Het riviertje meanderde
en kabbelde kalm naar het noorden, hier en daar een stroomversnelling te weeg
brengend. Hij zag hoe schoon de bermen hier waren en dacht even na over het
vuil en de troep die hij in eigen land vaak langs de wegkanten zag liggen. Wat een verschil met hier, dacht hij. En dat
was dan wel gek, want Belgen stonden nu eenmaal niet te boek als de meest
betrouwbare mensen. Maar trots op hun land en de natuur waren ze schijnbaar
wel.
--
Geen opmerkingen:
Een reactie posten